thema-artikel uit Mobiel 3, juni 1998Geldstromen in de pleegzorg |
thema: verwachtingen rondom pleegzorg
Door Michel Bosch (finacieel-administratief medewerker van Stichting Jeugdbescherming in Limburg)
De ministeries van V.W.S en Justitie maken begeleidingsgelden en de pleegvergoeding over naar de provincies en de drie grote steden. Zij verdelen de subsidie over de Voorzieningen voor Pleegzorg (VvP's) die erkend zijn volgens de Wet op de Jeugdhulpverlening. De VvP's vallen hieronder. De provincies en de grote steden bepalen hoeveel kinderen een VvP mag opnemen: dit heet de capaciteit.
Al naar gelang de
grootte van de capaciteit krijgt de VvP een bepaald budget van de Provincie uitgekeerd. In dit budget zit
dus enerzijds het geld voor de pleegvergoedingen aan pleegouders en anderzijds geld voor de salarissen
van personeel en de kosten van de kantoren.
De pleegvergoeding wordt aan pleegouders betaald voor de pleegkinderen die zij van een Voorziening
hebben opgenomen. Afhankelijk van de leeftijd van het pleegkind wordt een vergoeding per dag betaald.
Ook een extra toeslag op het pleeggeld als bijvoorbeeld de vijf guldenregeling wordt uit dit budget betaald.
In de pleegvergoeding zit een vergoeding voor de volgende kosten: kleding, eigen bijdrage reiskosten
school, ontspanning, zakgeld, bewassing, voeding en huisvesting. Onder huisvesting wordt ook een bed,
meubilair, een buggy enz. verstaan.
Ouders betalen voor deze kosten een ouderbijdrage aan het L.B.I.O. (Landelijk Bureau Inning Ouderbijdrage).
Bij vrijwillige pleegzorg zijn de ouders bovendien ook verantwoordelijk voor de
kosten die niet in de pleegvergoeding zitten. Zij moeten zorgen dat hun kind is verzekerd tegen
ziektekosten en aansprakelijkheid. Schoolkosten, een nieuwe fiets enz. komen ook voor hun rekening. Bij
justitiƫle pleegzorg plaatsingen waarbij de pleegkinderen onder toezicht zijn gesteld, gelden met betrekking
tot de ziektekosten en wettelijke aansprakelijkheid dezelfde regels.
Opbouw pleegvergoeding: