artikel uit Mobiel 3, juni 1998

Pleegzorg: Een tijdelijk bestaan

Door Martine F. Delfos, psychologe

Identiteit en continuïteit voor kinderen in de pleegzorg. Deze twee begrippen stonden centraal op de onlangs gehouden jaarlijkse pleegzorgdag. Maar wat betekenen ze in het leven van een pleegkind? Identiteit zegt: dit ben ik en continuïteit is eigenlijk het antwoord op de vraag: waar leef ik en bij wie hoor ik? Voor een pleegkind geen vanzelfsprekende vragen. Als je al vier jaar in het pleeggezin woont, hoor je er dan bij, hoor je je dan al vertrouwd te voelen?

De bouwstenen voor de identiteit

Het ontdekken van je identiteit is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder je opgroeit en de gebeurtenissen die in je leven plaatsvinden. Weten wie je bent, ontwikkel je echter ook door jezelf te leren kennen via de mensen om je heen. Dit ontwikkelt zich op grond van een aantal herkenbaarheden. De eerste is de herkenbaarheid op grond van het delen van hetzelfde erfelijke materiaal. Hoe uniek ieder mens ook is, hij draagt voor exact de helft het erfelijk materiaal van zijn vader en exact de andere helft is afkomstig van zijn moeder. Dit erfelijk materiaal zit verpakt in 100.000 genen, die onderling strijden welke genen tot uitdrukking worden gebracht in het kind. Hierdoor lijkt het kind voor een bepaalde eigenschap juist op de vader en zijn familie of juist op de moeder. Deze herkenbaarheid is aan het werk wanneer een ouder zegt: 'precies je vader ', of 'precies tante Anna '. Er ontstaat een verbondenheid wanneer een ouder kan zeggen tegen een kind: 'Dat heb je van mij!'
Door deze herkenbaarheid voelt het kind zich ingebed in zijn gezin van herkomst en in de generaties die aan dat gezin voorafgingen. Dit vormt het eerste antwoord op de vraag 'Wie ben ik?', namelijk: 'Dát ben ik!'

De tweede herkenbaarheid is die van de sociale omgeving. Hoe dat precies in zijn werk gaat, weten we niet, maar feit is dat we de sociale herkomst van kinderen in hun doen en laten terugvinden. Wanneer het kind een pleegkind wordt, kan dat een probleem vormen. Vaak komen pleegouders uit de middenklassen voort en pleegkinderen uit sociaal-economische 'lagere ' klassen. Het verschil tussen het gezin van herkomst en het pleeggezin kan groot zijn. We zien dat terug op het moment dat pleegkinderen soms 'precies de verkeerde vriendjes ' lijken te kiezen, of zo een 'andere smaak ' hebben. Goudgestikt roze kant of altijd vriendjes waar 'wat mee is '. Wat voor het pleegkind in zijn eigen omgeving normaal zou zijn geweest, wordt in een andere omgeving plotseling vreemd gevonden. Het omgevingsverschil tussen pleegkind en pleeggezin kan beiden voor grote problemen stelen. 'Wel leuk dat leren pianospelen, maar ik ga liever op voetbal.'

De derde herkenbaarheid is die van de cultuur. Een kind draagt de kenmerken van zijn cultuur in zich. Zelfs wanneer het als baby in de nieuwe cultuur opgroeit, zal het die kenmerken vertonen. Een duidelijk voorbeeld zijn de adoptiekinderen. De zwijgzame Koreaanse kinderen kunnen hun adoptiefouders soms tot angst en wanhoop brengen door hun kijkende ogen en hun zwijgende mond. Hun geslotenheid is in onze cultuur afwijkend en het kind merkt dat en zal als identiteit op kunnen bouwen een 'vreemd ' kind te zijn, terwijl het in het land van herkomst een doorsnee kind zou zijn.
Een eigenschap kan in de ene cultuur een deugd zijn en in de andere cultuur een ernstig probleem. Wanneer het verschil ook in huidskleur wordt uitgedrukt, wordt het nog indringender. Lange tijd werden 'gekleurde ' gezinnen niet als pleeggezin gerecruteerd en nog gebeurt het nauwelijks. Toch heeft een 'gekleurd ' kind een kleur om zich heen nodig. Een aangrijpend voorbeeld is het 'bruine ' peutertje dat in een pleeggezin geplaatst moest worden. Om identificatiemogelijkheden met de cultuur van herkomst te hebben, werd gezocht naar een pleeggezin met een dergelijke achtergrond. Toen het later als kleuter huilend thuiskwam nadat hij om zijn kleur op straat gepest was, nam zijn 'bruine ' pleegvader hem in zijn armen en ging met hem voor de spiegel staan en zei geruststellend: 'Net als ik '. Het effect van een dergelijke daad van de pleegvader is enorm veel groter dan een 'witte ' pleegvader of pleegmoeder had kunnen bewerkstelligen.

Pleeggezin is soms slechts schil

Erfelijkheid, sociale omgeving en culturele achtergrond vormen dus bouwstenen voor de identiteit van het kind in het pleegkind. Het pleegkind zijn, is het kader daar omheen, dat pas duidelijk wordt door het 'niet bij de eigen ouders opgroeien '. De aard van het pleeggezin zal zeker iets extra 's aan het pleegkind meegeven in zijn verdere leven.
Aan de andere kant: hoe langer een pleegkind buiten het pleeggezin heeft gewoond, des te meer het identiteitsgedeelte van het pleeggezin slechts een schil zal zijn. Ons hiervan bewust te zijn, betekent dat we het kind zoveel mogelijk de kans moeten bieden om zichzelf te herkennen in de erfelijkheid, de sociale omgeving en de cultuur waar het kind uit komt. Geef een 'gekleurd ' kind iets van zijn of haar cultuur, respecteer de keuze van vriendjes van het kind uit het sociaal zo andere milieu en probeer de pijn bij het pleegkind en ook bij jezelf als pleegouders te accepteren, dat het pleegkind nooit echt 'eigen ' is: Het pleegkind zijn, is een tijdelijk bestaan met een ingebouwde discontinuïteit.

De stille bagage van een pleegkind

Vergis je niet: het leven van een pleegkind begint niet op het moment dat het de drempel van het pleeggezin over gaat. Het heeft een stille bagage bij zich. Het ervaart geen continuïteit, want waar je bent gekomen is alles anders. Het kind past zich aan en op een gegeven moment groeit het vertrouwen en stelt het kind zich wezenlijke vragen: Is dit gezin echt te vertrouwen? Zal ik hier niet weg hoeven gaan? Wordt er hier van mij gehouden?
Voorzichtig probeert het kind grenzen uit, vaak na zo 'n negen maanden, net als bij een bevalling. Maar hij heeft het niet zelf in de gaten. Hij jokt en steelt, en begrijpt zelf niet waarom hij het doet. Hij heeft het nodig een grens te horen op zijn gedrag en tegelijkertijd geen afwijzing te krijgen op wie hij is. De continuïteit wordt op de proef gesteld: Zal hij mogen blijven of zal hij weer moeten gaan?
In het meest gunstige geval zal het kind een opeenvolgende continuïteit kennen en zal het door pleegkind te zijn aan zijn identiteit kunnen bouwen. In dat geval zal ook het pleeggezin haar identiteit positief kunnen vormen en continuïteit ervaren... in het meest gunstige geval.

Wie ben ik, waar kom ik vandaan?

Pleegouders willen vaak het contact tussen het pleegkind en zijn ouders beperken. Aan de ene kant zijn ze bang dat ouders het kind nog verder zullen beschadigen, aan de andere kant bang dat ze het kind weer aan de eigen ouders kwijt zullen raken. Dit zet de relatie tussen pleegouders en pleegkind onder spanning, want kinderen willen hun afkomst kennen. Uiteindelijk gaan ze op zoek omdat ze antwoord willen op de vraag: Waarom is het zo gelopen, wilden mij ouders mij niet? Een kind wil in ieder geval door zijn ouders geaccepteerd worden en heeft daar alles voor over. Want als je zelfs niet door je eigen ouders geaccepteerd wordt, wat ben je dan waard? Het kind is loyaal naar zijn biologische ouders, maar wees niet bang, ook naar de pleegouders.
Ontbreekt het contact met de eigen ouders, zeker als het tegengehouden wordt, dan zal het kind zijn ouders gaan idealiseren. Tijdens de puberteit zal het zijn ouders gaan zoeken. Hoewel blijkt dat pleegkinderen dan bijna altijd na één contact met de ouders bevredigd zijn.
Als er contact is met de eigen ouders, en de relatie tussen pleegouders en eigen ouders normaliseert, dan blijkt dat er nauwelijks identiteitsproblemen ontstaan. Soms zal het kind pijnlijke waarheden moeten horen. Vertel het ze, maar wil dan niet dat een kind er niet een tijdje dwars of verdrietig door is.

Het is noodzakelijk dat het kind antwoorden krijgt op de vragen: Wie ben ik? Waarom is het zo gelopen? Alleen dan kan er een rode draad lopen van verleden naar toekomst.