|

|
artikel
Pleegzorg in een
verranderende samenleving
door Lies Punselie,
Medewerkster bij de Nederlandse Gezinsraad
Langzaamaan wordt
duidelijk dat het traditionele gezin niet langer het
normhuishouden is en dat heeft consequenties voor het
pleegouderbestand. Bovendien is het overheidsbeleid
gericht op de voorziening in eigen onderhoud van ieder
individu. Ook dat heeft gevolgen voor het aantal
beschikbare pleegouders. Speelt de pleegzorg echter wel
genoeg op deze maatschappelijk ontwikkeling in? Of
dreigen pleegkinderen hier opnieuw 'het kind van de
rekening' te worden?.
De veranderde samenleving in
cijfers
Bestond in 1960 nog 61%
van alle Nederlandse huishoudens uit gezinnen, in 1995
was dit aantal teruggelopen tot 38%. Onder gezin wordt
verstaan: elke leefvorm van een of twee volwassenen met
een of meer kinderen. Als we kijken naar de bekendste
gangbare leefvorm: het gehuwde echtpaar met kinderen valt
op dat deze vorm in 1960 met 56% van de huishoudens
duidelijk in de meerderheid was, maar anno 1995 is dit
aandeel nog maar 31%. Een andere belangrijke ontwikkeling
die rechtstreeks van invloed is op het pleegouderbestand
is de sterk toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen.
Meer dan de helft van de vrouwelijke beroepsbevolking
heeft tegenwoordig een baan buitenshuis(1). Het
overheidsbeleid is er in toenemende mate op gericht dat
iedere volwassene zelf verantwoordelijk is voor de wijze
waarop in het levensonderhoud wordt voorzien. Tal van
financiële regelingen die het vooral voor vrouwen
aantrekkelijk maakten om voor huis-en-haard (en kinderen)
te zorgen in plaats van betaald buitenshuis te werken
worden afgeschaft of beperkt. De termijn dat een vrouw na
echtscheiding alimentatie kan krijgen is bijvoorbeeld
(sinds 1994) sterk bekort en een ander voorbeeld vinden
we in het vervangen van de oude en solide regeling van
het collectieve weduwenpensioen door een tijdelijke,
inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering (Anw). Het
vangnet van de Algemene Bijstandswet biedt ook niet veel
soelaas meer nu alleen nog de ouder die een kind beneden
de vijf jaar verzorgt is vrijgesteld van de
sollicitatieplicht.
Individualisering van de
samenleving
De hierboven omschreven trend is samen te vatten
als de individualisering van de samenleving. De vraag is
of de pleegzorg zich in deze ontwikkeling nog kan
handhaven. Er is al sinds jaar en dag een tekort aan
pleegzorgplaatsen. Ik verwacht dat dit tekort door de
individualisering de komende decennia sterk zal kunnen
oplopen. Potentiële pleegouders zullen het zich
eenvoudigweg steeds minder kunnen veroorloven om zich aan
te melden als aspirant-pleeggezin. Hoe komt dat? Een van
de selectiecriteria voor pleegouders is dat een van de
volwassenen overdag regelmatig thuis moet kunnen zijn.
Het behoeft geen betoog dat, zeker in de ingroeifase, het
voor een pleegkind ook buitengewoon essentieel is dat
zijn pleegouder(s) zijn centrale zorgfiguren zijn.
Iedereen is het erover eens dat het niet zo kan zijn dat
een pleegkind op zaterdag in het pleeggezin arriveert,
waarna hij op maandagochtend vroeg voor de duur van de
dag wordt afgeleverd bij oppas, kinderdagverblijf,
buitenschoolse opvang etc. In het aprilnummer van 1997
van Mobiel gaf dr. A.M. Weterings reeds aan dat het
uitbesteden van pleegkinderen, zeker in de beginperiode,
slechts onder bepaalde voorwaarden verantwoord kan
gebeuren. Het pleegkind moet eerst voldoende
basisvertrouwen in zijn pleegouders hebben kunnen
opbouwen.
De vraag is dan ook hoe de pleegzorg dan wel kan
inspelen op de maatschappelijke veranderingen. Moet het
pleegouderschap aantrekkelijker gemaakt worden en moeten
er wellicht nieuwe bronnen van potentiële
pleegouders worden aangeboord?
Huidige selectie-indicatie
voldoet niet meer
Van oudsher wordt het leeuwendeel van het
pleegouderbestand gevormd door echtparen met een of meer
eigen kinderen. Het vasthouden aan deze
selectie-indicatie is niet meer van deze tijd en vormt
bovendien een handicap voor de werving van pleegouders.
Nog nooit is gebleken dat een bepaald type leefvorm beter
geschikt is voor het verzorgen en opvoeden van kinderen
dan een ander type. De geschiktheid van een (pleeg)gezin
hangt vooral af van met name de individuele capaciteiten
van de (pleeg)ouders.
Het belangrijkste voor een pleegkind is dan ook niet
het type leefvorm waarin zij terecht komen, als wel dat
deze leefvorm veiligheid en continuïteit biedt. De
plaatsing moet vooral gericht te zijn op het
toekomstperspectief van het kind. Soms is van meet af aan
duidelijk dat van terugkeer in het gezin van herkomst
geen sprake meer kan zijn of komt dat besef later(2). Het
belang van het pleegkind ligt primair in veiligheid,
continuïteit en in een zorgvuldige individuele
matching van pleeggezin en pleegkind. Een breed
samengestelde kweekvijver van pleegzorgplaatsen biedt
hiervoor veel betere mogelijkheden dan wanneer tot de
voorselectie bijvoorbeeld alleen (echt)paren met eigen
kinderen toegelaten worden. Om ervoor te zorgen dat
daadwerkelijk geput kan worden uit die breed
samengestelde kweekvijver zijn maatregelen nodig om de
pleegzorg in de pas te laten komen met het proces van
individualisering van de samenleving.
Discussienota over pleegzorg en
arbeid
Wil de pleegzorg niet verworden tot een
marginaal verschijnsel, dan wordt het hoog tijd dat
hiervoor een plaats ingeruimd wordt in de brede
maatschappelijke discussie over arbeid en zorg. De
Nederlandse Gezinsraad geeft hiertoe vast een aanzet met
het vervaardigen van een discussienota die in de loop van
de zomer zal verschijnen. In deze nota zullen
verschillende voorstellen worden uitgewerkt op het gebied
van (betaald) pleegzorgverlof, opbouw pensioenaanspraken
voor pleegouders, (betaalde) scholingsprojecten voor
pleegouders etc. De voorstellen zullen ter toetsing
worden voorgelegd aan pleegouders, pleegzorgwerkers en
andere deskundigen. Mobiel zal u van de verdere
ontwikklingen van dit project op de hoogte houden.
De cijfers zijn afkomstig uit:
Het Gezinsrapport. Een verkennende studie naar het gezin
in een veranderende samenleving. red. C.S. van Praag en
M. Niphuis-Nell. Rijswijk, Sociaal Cultureel Planbureau,
1997.
Zie ook: L. Robbroeckx, L.
Punselie en S. Nijon. Hulpverlening betrekt ouders
onvoldoende bij pleeggezinplaatsing. In: Kiezen voor
kinderen. Utrecht, Elsevier/De Tijdstroom,
1997.
|