artikel uit Mobiel 1, februari 1998"Ik zou het niet aankunnen wanneer hij in een ander gezin zou zijn" |
door Els Lodewijks
Charlotte (53) en Karel (57) wonen op een gezellige flat in een middelgrote stad. Sinds drie jaar woont Koen (6) bij hen. Koen is de zoon van Charlotte's dochter die aan de drugs is verslaafd. Charlotte is dus behalve oma, ook pleegmoeder van Koen. En Karel behalve (stief)opa, ook pleegvader. Hoe ervaren zij dat?
De voorgeschiedenis
"Wij voelen ons meer vader en moeder dan grootouders", zegt Karel, "ook al zegt Koen opa en oma tegen ons." En Charlotte: "Ik ben geen oma, want die verwent haar kleinkinderen meer."
Voordat Charlotte en Karel de zorg op zich namen, had vooral Charlotte al een hele geschiedenis met haar dochter achter de rug. Haar dochter is al twaalf jaar verslaafd aan heroïne, evenals Koen's vader.
"Ze heeft tot haar twintigste bij me gewoond. Toen ging het echt niet meer, ik werd helemaal gek van haar." Charlottes dochter ging zwerven, stond soms op de gekste momenten bij haar moeder voor de deur of belde haar om vijf uur 's nachts op. "Als ze in mijn huis zat, kreeg ik haar de deur niet meer uit." Toen Charlotte vier jaar geleden bij Karel ging wonen, heeft ze haar nieuwe adres voor haar dochter geheim gehouden, ook toen Koen eenmaal bij hen woonde. "Met de geboorte van Koen hoopten we eigenlijk dat het allemaal beter zou gaan. Mijn dochter en haar vriend kregen een huis, en de eerste tijd hebben we Koen ook nooit hier naartoe meegenomen. We dachten altijd: als Koen daar blijft, kunnen ze geen drugs gebruiken. Maar dat is onzin natuurlijk, zo werkt het niet."
Karel: "Ze gingen 's avonds gewoon uit. Dan werd de kruk uit z'n deur gehaald, zodat hij niet meer uit zijn kamer kon." Charlotte ging iedere week bij haar dochter schoonmaken en deed dan boodschappen zodat Koen in ieder geval genoeg te eten zou krijgen. "Ik wou me niet aan hem binden, omdat ik bang was dat hij toch van mijn dochter zou worden afgenomen. Maar ongemerkt ga je je hechten aan zo'n kind."
Koen's moeder is vaak ziek geweest, soms zo erg dat Charlotte en Karel dachten dat ze het niet zou redden. Toen Koen twee was, is ze uit het raam gesprongen. Ze brak een heup en een been. Daarna zat ze drie maanden in de gevangenis. In die periode zorgde Koen's vader voor hem, maar was hij ook een paar weken bij Charlotte en Karel. Charlotte: "Op een gegeven moment belde de maatschappelijk werker op dat mijn dochter en haar vriend weer ruzie hadden en dat zij samen met Koen in een opvanghuis zat. Koen kon daar echter niet blijven. Toen heb ik hem meegenomen, niet met de bedoeling dat hij hier altijd zou blijven. Maar hij kon gewoon niet meer terug, en hij is gebleven."
De plaatsing van Koen is vrijwillig, er is geen ondertoezichtsstelling. Karel: "Zo lang dat goed gaat, is dat beter. Want het is toch Charlotte's dochter. Als het bij de kinderrechter komt, lijkt het alsof je haar iets afneemt."
De pleegzorg wordt ingeschakeld
Toen Koen zeven maanden bij hen woonde, schakelde de maatschappelijk werker de pleegzorg in. Vanaf dat moment kregen ze begeleiding en daar zijn beiden erg blij mee. Niet alleen voor nu, maar ook voor de toekomst. Charlotte: "Ik denk wel eens, straks is Koen vijftien jaar en stel je dan voor dat hij dezelfde kant opgaat als mijn dochter. Dat vind ik een angstige gedachte. Daarom ben ik blij met de pleegzorg. Want dan heb je mensen achter je staan." Karel: "We hebben er ook nu al heel veel steun aan gehad. We waren bang dat er in het verleden toch iets was misgegaan met Koen." Koen was, toen hij pas bij hen was, een zeer angstig kind. Hij had op school gedragsproblemen. Hij kon niet spelen en kon heel moeilijk met andere kinderen omgaan. Aan de ene kant was hij heel druk en extravert, en aan de andere kant leefde hij in een eigen wereldje.
Koen is getest en daaruit bleek dat hij geen afwijkingen heeft overgehouden aan het feit dat hij bij zijn geboorte verslaafd was. Voor Charlotte en Karel is dat een hele geruststelling. Sinds een jaar zitten ze ook in een grootoudergroep. "Daar ontmoet je heel veel herkenning", zegt Karel, "ook al is iedere situatie weer anders. Want je denkt dat je de enige grootouder bent, maar dat is natuurlijk niet zo."
Charlotte: "Het verschil met andere pleegouders is, dat het voor ons allemaal zo dubbel is. Andere pleegouders hebben geen binding met de ouder of de ouders van hun pleegkind. Voor mij is het zo dat er geen dag, geen moment voorbij gaat of ik denk aan mijn dochter. En er kan altijd wat met haar gebeuren."
Een voortdurende zorg
Charlotte zegt dat het wel beter gaat sinds Koen bij haar woont. Voor die tijd was ze ook altijd nog bang dat er wat met Koen zou gebeuren. "Sinds Koen bij mij woont, heb ik wat meer afstand van mijn dochter genomen. Maar helemaal afstand nemen, kan ik niet. Als er weer wat gebeurt, dan zit ik er nog altijd mee." En dat komt regelmatig voor. Zo was Charlottes dochter de afgelopen zomer weer zwanger.
Charlotte: "Ze wilde eerst het kind houden, want ze gingen het allemaal anders doen. We hebben toen erg op ze in moeten praten. Uiteindelijk besloten ze om abortus te laten plegen. Toen ben ik met haar naar een abortuskliniek geweest. Daar bleek ze al zeventien weken zwanger te zijn. Toen moesten we dus weer naar een andere kliniek. Dat doe ik dus nog allemaal met haar. Ook als ze weer in de problemen zit, dan belt mijn dochter mijn moeder, en die belt dan vervolgens weer naar mij. Als mijn moeder een maand niets van mijn dochter heeft gehoord, wordt ze angstig. En als mijn dochter haar te vaak belt, wordt mijn moeder daar weer zenuwachtig van".
Haar dochter blijft dus een voortdurende een zorg, maar Koen gaat nu voor. Karel: "Je kunt maar één ding goed doen en Koen komt op de eerste plaats." Ondanks alle problemen zijn ze blij dat Koen bij hen woont. Charlotte: "Ik zou het niet aan kunnen wanneer hij in een ander gezin zou zijn. De gedachte alleen al dat ik hem dan misschien maar eens in de drie maanden zou mogen zien, omdat ik slechts z'n oma ben...." Karel: "En voor Koen zou dat ook een hele klap zijn geweest."
Charlotte en Karel denken dat Koen tot aan zijn volwassenheid bij hen zal blijven. Karel: "Er zijn wel eens mensen die vragen of wij niet bang zijn dat hij naar zijn moeder teruggaat. We zeggen dan: was het maar, want dan hadden wij er een dochter bij."