artikel uit Mobiel 1, februari 1998Speerpuntennotitie: mag het ietsje meer zijn? |
Door Joke van Harten-Oudijk; Adviseur voor vernieuwing van inhoud en organisatie van de jeugdzorg
De jeugdzorg is volop in beweging. Overal in het land is men bezig met de oprichting van Bureaus Jeugdzorg, de centrale toegang tot de jeugdzorg, en de bijbehorende zorgtoewijzingsorganen, waar voor de betrokkenen wordt bepaald welke hulp het meest passend is. Verder zijn vooral de opnemende voorzieningen begonnen met het ontwikkelen van zorgprogramma's. Rond de pleegzorg is het echter stil. Pleegzorg speelt op dit moment geen rol van betekenis in de uitvoering van de plannen van 'Regie in de Jeugdzorg'. Pleegzorg is 'uit': het staat niet meer in de publieke en politieke belangstelling. Op zichzelf zijn golfbewegingen in de belangstelling voor pleegzorg geen onbekend verschijnsel, maar als 'zeer betrokken buitenstaander' maak ik mij nu toch zorgen over het gevaar van marginalisering en isolement van de pleegzorg. Pleegzorg verdient veel meer aandacht dan zij nu krijgt. Mijn hoop is gevestigd op de Notitie Speerpunten Verbetering Pleegzorg, die recent in de Tweede Kamer is aangenomen en die in dit nummer van Mobiel opnieuw aan de orde komt. Zal die een kentering te weeg brengen?
De ideeën die er in staan zijn op zichzelf niet slecht, soms wat schetsmatig uitgewerkt, maar nou ja. Het echte probleem is dat het allemaal zo weinig inspirerend is. Er spreekt zo weinig enthousiasme uit. Ik mis de ambitie, het 'geloof' in de pleegzorg, de overtuiging dat het hier gaat om één van de belangrijkste vormen van hulpverlening voor ouders en kinderen in moeilijke opvoedingssituaties. 'Voorzien in Pleegzorg', de richtsnoer voor de reorganisatie in de pleegzorg in de afgelopen jaren, is op een aantal punten (nog) niet doorgevoerd. De Inspectie voor Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming heeft zojuist een onderzoek daarnaar afgesloten. Binnenkort verschijnen de eindconclusies en aanbevelingen.
Zelf zie ik drie knelpunten: de personeelsformatie van de voorzieningen, het ontbreken van een landelijke aansturing, ondersteuning en samenhang en de positie van pleegouders. Geld en kwaliteit hangen met elkaar samen: geen enkele voorziening kent een case load van 1 maatschappelijk werker voor 25 gezinnen zoals in 'Voorzien' werd geadviseerd. De formatie voor staf, werkbegeleiders en (inhoudelijk) management is ontoereikend. De meeste instellingen hebben ook een kleinere omvang dan wij destijds verantwoord vonden. Pleegzorg zou een paar duizend gulden per plaats per jaar meer moeten gaan kosten om al die noodzakelijke dingen te kunnen doen die in de rest van de jeugdzorg al lang zijn ingevoerd. Daarmee blijft de pleegzorg overigens nog steeds drie maal zo goedkoop als een residentiële plaats. Tot nu toe heeft het aan landelijke sturing en ondersteuning bij de reorganisatie van de pleegzorg ontbroken. Zeker, er is, na enig 'geharrewar', een programmacommissie gekomen die nuttige innovaties heeft (laten) ontwikkelen, maar van buitenaf bekeken, heeft dat niet geleid tot samenhangende, grootschalige vernieuwingen die landelijk zijn ingevoerd. De landelijke overheden (en soms ook de provinciale) hebben zich terughoudend en soms zelfs afwerend opgesteld. Het derde punt betreft de positie van pleegouders. Ik vraag mij af wat een directeur van een instelling met pleegzorg zal antwoorden op de vraag hoeveel medewerkers zijn organisatie heeft. Ik vrees dat de meeste alleen hun beroepskrachten zullen noemen. In 'Voorzien in Pleegzorg' werden pleegouders 'partners in de pleegzorg' genoemd, die een drieledige positie hebben nl. als opvoeders/verzorgers, participanten in de hulpverlening van het kind en vrijwillig medewerker van de voorziening. Ik heb de indruk dat deze twee laatste taken nog te weinig uit de verf komen. Om de uitvoering van de speerpuntennotitie tot een succes te maken zijn op zijn minst drie dingen nodig: