Er is volop belangstelling voor het pleegouderschap. De laatste
jaren zijn er maar liefst twee succesvolle wervingscampagnes gehouden.
Toch wil de wachtlijst voor plaatsing in een pleeggezin maar niet
slinken. Hoe komt dat?
Het kwam als een cadeautje bij de veertigste verjaardag van de Stichting
Ideële Reclame. Een campagne voor pleegouders kreeg de meeste
stemmen voor een gratis campagne. Op televisie, radio en in gedrukte
media zette SIRE van vorig jaar juli tot april dit jaar pleegouders
in het zonnetje. De campagne werd bekroond met een zilveren Effie,
een jaarlijkse prijs voor de meest effectieve reclame. Geprikkeld
door de leus ‘Pleegouders zijn bijzonder nodig’ vroegen
ruim 6400 mensen bij Pleegzorg Nederland een informatiepakket aan.
Het is de tweede golf van belangstellenden voor het pleegouderschap.
Enkele jaren geleden ging de landelijke koepelorganisatie zelf op
zoek naar nieuwe pleegouders vanwege de almaar groeiende vraag naar
pleeggezinnen. Bijna achtduizend mensen reageerden destijds op de
campagne ‘Wij zoeken nog een hart met wat ruimte’.
Ongeduldige minister
Toch zit er maar geen schot in de wachtlijst voor pleegzorg. Begin
dit jaar wachtten 954 kinderen langer dan de nagestreefde negen weken
op plaatsing in een pleeggezin. Een jaar eerder ging het om 963 kinderen.
Vlak voor Prinsjesdag zocht een ongeduldige minister Rouvoet (Jeugd
en Gezin) de publiciteit, omdat hij voorziet dat de wachtlijsten
voor jeugdzorg aan het eind van dit jaar weer niet zijn weggewerkt,
hoewel hij de provincies daarvoor 115 miljoen euro extra had gegeven
(de provincies legden zelf 118 miljoen bij). “De minister redeneert
te kort door de bocht,” reageert Paul Bonke, programmaleider
jeugdzorg bij het Interprovinciaal Overleg (IPO). De provincies hebben
inderdaad beloofd dat kinderen uiterlijk eind dit jaar binnen negen
weken in een pleeggezin worden opgenomen. Onder het voorbehoud echter
dat de vraag naar pleegzorg niet groter uitpakt dan verwacht. In
sommige provincies zoals Gelderland en Noord-Brabant is dit jaar
de behoefte aan pleeggezinnen onverwacht gegroeid. Bonke: “Als
die groei groter blijkt te zijn, kan de provincie niet kwalijk worden
genomen dat er toch weer wachtlijsten ontstaan.”
De provincies en het kabinet maken elke twee jaar een
landelijke schatting van de behoefte aan pleegzorg. Voor 2008 was
de prognose 7,8 procent, voor dit jaar 8,4 procent. Op basis daarvan
krijgen de provincies subsidie. In 2008 groeide pleegzorg echter
feitelijk met 9 procent. Die prognose komt dus niet altijd uit.
Het Sociaal Cultureel Planbureau werkt op verzoek van het kabinet
wel aan een nauwkeuriger methode om de pleegzorgbehoefte in te
schatten. Voor komend jaar moeten de provincies en de minister
er nog samen uitkomen. Dat wordt lastig, voorspelt Bonke. “De
minister denkt dat hij er met een beperkte raming uit komt, wij
niet. Wij maken ons grote zorgen of de jeugdigen in 2010 wel de
hulp kunnen krijgen die ze nodig hebben. In 2010 zou het dan kunnen
gebeuren dat de wachtlijsten weer oplopen.”
Trainen kost tijd
Het onverwacht grote animo voor het pleegouderschap heeft de afgelopen
anderhalf jaar voor nog andere wachtlijsten gezorgd. Belangstellenden
moesten soms drie à vier maanden wachten voordat ze
terecht konden op een voorlichtingsavond. Hetzelfde deed zich voor
bij de trainingscursus en het screenen van de aspirant pleegouder.
Regionale pleegzorgorganisaties moesten alle zeilen bijzetten om
te voorkomen dat de aspirant pleegouders ongeduldig zouden afhaken.
Er werden nieuwe medewerkers in dienst genomen, terwijl ervaren
krachten overuren maakten voor het geven van extra introducties
en trainingen. Zo verdubbelde de Tilburgse pleegzorginstelling
Kompaan en de Bocht het aantal trainingscursussen tot zes. Trias
Jeugdhulp Pleegzorg in Zwolle ging zelfs van drie naar tien cursussen
in 2009. Pactum in Deventer geeft er dit jaar acht in plaats van
vijf. In alle gevallen dankzij de provincies die geld bijlegden.
De opleiding tot pleegouder neemt ook veel tijd in beslag. In Overijssel
duurt die vier à vijf maanden, in Tilburg een half jaar. “We
proberen daar een versnelling in te brengen”, zegt Wilma Massop,
manager pleegzorg bij Trias.
“Maar er moet wel enige lucht in het proces blijven zitten om aspirantpleegouders
de kans te geven te overdenken of ze het pleegouderschap echt wel willen.” Belangstellenden
nemen sowieso wel die denktijd, is de indruk van Janette Reukers, woordvoerder
van Pleegzorg Nederland. “Het afwegingsproces na ontvangst van het informatiepakket
gaat veel langzamer. Soms starten mensen niet direct met een training omdat
een pleegkind nog niet in hun leven past. Ze willen eerst solliciteren of er
is een zwangerschap.” Pleegzorgvoorziening Pactum, werkzaam in Gelderland
en Overijssel, start dit najaar naast de avondcursus een stoomcursus van drie
zaterdagen, die twee maanden korter duurt. “Ook vanuit de gedachte: hoe
kunnen we extra pleegouders binnenhalen?”, zegt pleegzorgbegeleider Anita
de Bijl. “Sommigen worden afgeschrikt door die maandenlange avondcursus.” Volgens
de drie pleegzorgorganisaties hebben hun extra inspanningen effect gehad. “De
file van aanmelders is nu opgelost”, zegt Wilma Massop van Trias. Anita
de Bijl vertelt echter dat bij Pactum nog steeds aspirant-pleegouders aankloppen
die klagen dat ze elders te lang moeten wachten.
Moeilijk plaatsbaar
Waar zijn al die kersverse getrainde en goedgekeurde pleegouders
dan nu? Een fors deel wacht op de komst van hun eerste pleegkind.
Begin dit jaar stonden 1243 pleegouders ingeschreven die plek hebben
voor een pleegkind. Tegelijk stonden 954 kinderen op die beruchte
wachtlijst; ze wachtten langer dan negen weken op een geschikt gezin.
Het gaat veelal om ingewikkelde plaatsingen, te hoog gegrepen voor
beginnende pleegouders: kinderen met ADHD, autisme, hechtingsproblemen
of met ingewikkelde problematiek van de ouders. Janette Reukers van
Pleegzorg Nederland: “De groep beginnende pleegouders groeit,
maar die zegt heel terecht: ik wil eerst voorzichtig beginnen met
een niet al te moeilijk pleegkind. Probleem is dat de druk zo groot
is. Er is weinig ruimte om mensen relatief eenvoudig te laten beginnen.” Een
pleegzorgmedewerker uit de Randstad die anoniem wil blijven: “De
officiële omschrijving van pleegzorg is: ‘een normaal
kind in een normaal gezin’.
Er zitten niet zoveel normale kinderen tussen. Ze hebben toch al
vaak krassen opgelopen.” Wilma Massop van Trias voorspelt nu
al dat de wachtlijst -in Overijssel nu ruim honderd kinderen- op
1 januari nog zal bestaan, juist door die categorie moeilijk plaatsbare
kinderen en het gebrek aan ervaren pleeggezinnen: “Soms zoek
je naar een speld in een hooiberg.” Geef onervaren gezinnen
extra begeleiding als ze een moeilijk pleegkind geplaatst krijgen,
bepleit ze. Maak gebruik van intensievere pleegzorgvormen of hulpmiddelen
zoals videohometraining, therapeutische gezinsverpleging en extra
diagnostiek voor de oorzaken van het gedrag van het kind. Er moet
dan wel geld bij. Haar
organisatie is daarover in gesprek met de provincie.
Zuinig op pleegouders
Die extra begeleiding van nieuwe pleegouders valt deels te winnen
door soepeler om te gaan met de regels, zegt haar collega uit de
Randstad. “In Nederland mag je alleen maar pleegouder zijn
als je geregeld begeleiding krijgt. In tien à twintig procent
van de gevallen is dat niet nodig. Die pleegouders redden zich
prima, daar volstaat een jaarlijks bezoek. Daar valt winst te boeken.
Dat is echter sinds de dood van Savanna (het driejarige meisje
dat in 2004 overleed na mishandeling door haar moeder en stiefvader
ondanks toezicht van Bureau Jeugdzorg, red.) onbespreekbaar bij
de inspectie.” Hij wijst op nog een ander probleem: juist
met die ervaren pleegouders die zo bitterhard nodig zijn, wordt
niet zuinig omgesprongen. Tussen het vertrek van het ene en de
komst van het volgende pleegkind horen zij vaak niets van hun pleegzorgorganisatie.
Wanneer de pleegzorgbegeleider ook nog eens geen tijd heeft als
ze zelf maatschappelijke hulp nodig hebben, haken ze teleurgesteld
af. “Een begeleider zou standaard een evaluatiegesprek moeten
hebben met de pleegouders en regelmatig contact moeten houden om
te horen hoe het tussentijds in het gezin gaat. Zo voorkom je pijnlijke
situaties, zoals die waarin de pleegzorgbegeleider komt met de
vraag van een nieuwe plaatsing, terwijl in het pleeggezin het overlijden
van opa op dat moment centraal staat.”
Beperkt aanbod
Trias is een gunstige uitzondering in relatiebeheer: alle ingeschreven
pleegouders krijgen elk jaar een kerstgeschenk, er bestaat een
noodfonds voor extra kosten die pleegouders maken, er worden regelmatig
thema-avonden gehouden en er volgt een evaluatiegesprek na elke
plaatsing. Contact houden met een gezin waar op dat moment geen
pleegkind is, lukt ook daar echter niet door de werkdruk. Er bestaat
nog een andere ‘mismatch’ behalve die van
onervaren pleegouders en pleegkinderen met een vlekje. Aspirant-pleegouders
hebben noten op hun zang: zij willen bijvoorbeeld geen koppelplaatsing:
broertjes of zusjes uit eenzelfde gezin voor wie het belangrijk is
dat ze bij elkaar blijven. Kinderen boven de tien jaar liggen ook
slecht in de markt. Dit terwijl pubers opvoeden ‘ook z’n
charmante kanten heeft’, weet Jeannet de Pee van Kompaan en
De Bocht. De Tilburgse organisatie wil daarover gaan communiceren
met al die aspirant pleegouders in de kaartenbak. De Pee: “Bij
die SIREcampagne denken mensen aan een schattige kleuter, niet aan
een puistig puber.” <
Wachtlijsten onnodig lang
Teveel kinderen belanden onnodig in de pleegzorg, denkt professor
Tom van Yperen, bijzonder hoogleraar effectieve jeugdzorg aan
de Universiteit Utrecht. Oorzaken: te laat ingrijpen en een
tekort aan lichte hulpverlening. “Bij heel veel kinderen
escaleert dan de problematiek waardoor pleegzorg nodig is.
Met opvoedingsondersteuning van de ouders en pedagogische ondersteuning
van leerkrachten kun je veel ellende voorkomen.” Volgens
Van Yperen moet er in de jeugdzorg veel meer nadruk komen op
preventie en lichte hulpverlening. Omdat het daaraan ontbreekt,
schuiven kinderen al snel door naar de zwaardere vormen van
hulpverlening. Een aantal kinderen op de jeugdzorgwachtlijsten
hoort daar eigenlijk niet, vermoedt de deskundige van het Nederlands
Jeugdinstituut. De nieuwe plaatselijke Centra voor Jeugd en
Gezin zouden die vroegtijdige jeugdhulpverlening aan kinderen
met gedragsproblemen, emotionele problemen en overgewicht moeten
organiseren. “En dan wel met een concrete ambitie,” benadrukt
Van Yperen. Bijvoorbeeld: over twee jaar moet de groei van
de jeugdzorg gehalveerd zijn. Onlangs woonde Van Yperen een
bijeenkomst van jeugdexperts bij die concludeerden dat kinderen
niet meer problemen hebben dan vroeger. “Wel worden sommige
eigenaardige trekjes tegenwoordig geproblematiseerd,” zegt
Van Yperen. Zoals pdd-nos, een aan autisme verwante stoornis. “Vroeger
deden gezinnen en leerkrachten daar minder moeilijk over. Het
waren gewoon kinderen met een kleine gebruiksaanwijzing. Tegenwoordig
is het een diagnose.”
|
overzicht inhoud van dit
nummer