We staan er niet altijd bij stil dat een derde deel van de kinderen
die bij familie of vrienden woont, een plek bij hun grootouders heeft
gevonden. Een indicatie: in 1998 waren er bij de Nederlandse Voorzieningen
voor Pleegzorg 979 kinderen bekend die bij hun opa en oma woonden
(Loeffen en Portengen, 1998). Er zijn geen actuele gegevens over
het aantal grootouders in de pleegzorg. Waarschijnlijk is het aantal
kinderen dat bij hun grootouders woont groter dan wij denken, omdat
veel opa's en oma's niet van het bestaan van een Voorziening voor
Pleegzorg weten. Mirte Loeffen licht in dit artikel de opvallendste
resultaten van haar onderzoek onder grootouders toe. (1)
Grootouders voeden zonder hulp van buitenaf de kleinkinderen op.
Ook als zij wel met hulpverlening te maken hebben, komen ze niet
altijd bij de Voorziening voor Pleegzorg terecht. Pleegzorg en thuiszorg
zijn bijvoorbeeld gescheiden circuits.
Zo kan het voorkomen dat een oma die al twee jaar voor haar kleinkinderen
zorgt en daarbij gebruik maakt van thuiszorg, per toeval ontdekt
dat ze bij de Voorziening voor Pleegzorg terecht kan. Want bij de
supermarkt komt ze een oma tegen, die ook voor haar kleinkinderen
zorgt. Soms weten zelfs (gezins)voogden niet dat zulke opa's en oma's
bij de Voorziening voor Pleegzorg terechtkunnen. Pas door de komst
van een nieuwe gezinsvoogd ontdekte zo'n grootouderstel na drie jaar
dat de Voorziening voor Pleegzorg iets voor hen zou kunnen betekenen.
Onzichtbaar maar onmisbaar
Grootouders zijn een onzichtbare, maar onmisbare groep opvoeders.
Ze beseffen vaak zelf niet dat ze een bijzondere groep pleegouders
zijn. Ik sprak eens een opa die op zijn werk aangaf dat het soms
moeilijk was het gezin draaiende te houden met het ouder worden.
Z'n collega riep uit: “Maar jij doet aan pleegzorg!” “Nee hoor”,
antwoordde de opa in kwestie, “ik voed mijn kleinkind op.” “Ja maar
dat ís pleegzorg en je kunt begeleiding en financiële
ondersteuning krijgen van de Voorziening voor Pleegzorg!” En zo kwam
deze opa bij de pleegzorg terecht. In de jaren die volgden heb ik
meer van dergelijke verhalen gehoord.
Sommige grootouders kregen van de buren te horen: “Ik zou maar
zorgen dat ze er niks van weten, want ze komen je kleinkind zo bij
je vandaan halen, zulke oude mensen!”
Een Surinaamse oma slaakte een zucht toen ze in een groep van tien
(blanke) collega-grootouders zat: “Ik dacht dat alleen wij, Surinaamse
oma's, onze kleinkinderen opvoeden, maar er zijn kennelijk veel Nederlandse
oma's met dezelfde ervaringen als ik.”
Naarmate ik meer grootouders sprak, werd ik me beter bewust van
de rol die deze mensen in het leven van kinderen spelen. Natuurlijk
zijn er kinderen die vreselijke grootouders hebben. Voor hen is er
gelukkig de uitweg van een bestandsgezin. Al die kinderen met een
heel lieve opa en oma die niet bij hun ouders kunnen wonen, gun ik
de kans om het samen te proberen.
De Nederlandse Gezinsraad (NGR) denkt daar anders over, zo blijkt
uit het rapport ‘Thuisplaatsing van pleegkinderen'. “De NGR wijst op het belang dat men zich, voordat wordt besloten
tot een plaatsing bij de grootouders die de indicatie ‘langdurig'
draagt, terdege bewust is van de risico's die zijn verbonden aan
een hoge leeftijd van de pleegouders. Het onderzoek laat zien dat
de opvoeding op enig moment te zwaar kan worden voor de grootouders,
waarna als noodoplossing alsnog moet worden besloten tot een terugplaatsing
of een overplaatsing.” (NGR, 2000) (Zie artikel op pagina 15 over
NGR in dit thema, red.).
De NGR vergeet de groep grootouders die jong en dynamisch zijn,
een baan hebben, sporten en spelen. Maar ook de minder mobiele grootouders,
die wel degelijk een steun en toeverlaat zijn van de kinderen en
hen een warm nest bieden. De link tussen pleegzorg en grootouderschap
is niet snel gelegd. Dat maakt dat we niet weten over hoeveel grootouders
we praten, laat staan dat we ze adequaat ondersteunen.
Wereldbreed
Overigens geldt dat niet alleen op nationaal, maar ook op mondiaal
niveau. Alleen in Scandinavische landen worden grootouders net zo
serieus genomen als andere pleegouders. Er is zowel begeleiding als
een financiële toelage in die zin dat alle pleegouders (dus
ook grootouders) een salaris krijgen voor het opvoeden van de (klein)kinderen.
In welk land grootouders ook wonen, er zijn een aantal thema's die
hen bezig houdt. Ik pik er hier drie uit:
- Verlatingsangst van kleinkinderen
- Het sociale netwerk
- Zich niet gehoord voelen door de hulpverlening bij het uitspreken
van zorgen over de kleinkinderen
Verlatingsangst van kleinkinderen
Alle grootouders geven aan dat de kinderen het liefst in de buurt
blijven van hun opa en oma. “Jullie komen toch wel terug?” is een
veel gestelde vraag. Die vraag komt meestal niet uit de lucht vallen,
zo blijkt uit het verhaal van een oma die voor haar twee kleinkinderen
van acht en elf zorgt.
“Onze kleinkinderen zijn van hun gezin naar een pleeggezin verhuisd.
Daar ging het niet goed, dus naar een kindertehuis. Daarna zijn ze
bij hun moeder gaan wonen. Dat mislukte, toen bij hun vader. Ook
dat pakte niet goed uit. Nu wonen ze bij ons. Ze hebben in hun korte
leven geen eigen plek gekend. Wij zijn nu langzaam het hele traject
terug aan het lopen. De kinderen vroegen erom. Ze wilden graag de
plekken terug zien waar ze een tijd zijn geweest. We zijn de geschiedenis
aan het verkennen. We hebben het huis van de pleegouders bekeken
en ook het kindertehuis hebben we bezocht. We zijn nu zelfs nog verder
teruggegaan. De kinderen wilden ook graag weten waar hun ouders zijn
geboren en waar wij vandaan komen. Langzaam maken ze voor hun gevoel
weer deel uit van een geheel.”
Uit dit verhaal blijkt dat grootouders soms in staat zijn om het
gevoel van verloren zijn op te heffen, omdat het levensverhaal van
de kinderen opeens weer in een context komt te staan.
Het sociale netwerk
Voor alle grootouders betekent de komst van de kleinkinderen een
grote ommezwaai. Grootouders die vrij waren in hun dagschema moeten
met de komst van de kleinkinderen opeens weer op de klok leven. De
kinderen moeten op tijd naar bed. 's Avonds kunnen grootouders niet
meer weg, want oppas is niet gemakkelijk te regelen. Het netwerk
van grootouders bestaat immers uit mensen die ongeveer zestig jaar
oud zijn. Vrienden staan niet te springen om gezelschap van jonge
kinderen. Hun huis is niet op kinderen ingericht, dus ook een kopje
koffie drinken bij vrienden komt er minder snel van.
Een grootvader: “Je
vrienden zijn uit de kinderen en vinden het vaak te vermoeiend. Langzaam
vallen de mensen van je eigen leeftijd af.”
Ook al is steun vragen moeilijk, tegelijkertijd zien grootouders
er wel de noodzaak van in. Veel grootouders zijn bezig met het creëren
van een vangnet, mocht hen iets overkomen. Eén grootouderstel
verhuisde zelfs met het oog op de toekomst: “Wij wonen in een flat
met voornamelijk oudere mensen. Mijn dochter van 36 heeft drie kinderen
van dezelfde leeftijd als het kleinkind waar ik voor zorg. Ze zijn
echt een team samen.
Wij gaan nu bij haar in de wijk wonen. Ik vind
het een rustig idee dat, als er iets met ons zou gebeuren, ons kleinkind
zo bij hen terecht kan.”
Zich niet gehoord voelen door de hulpverlening
Grootouders ervaren dat ze veel waarschuwingen geven aan hulpverleners
voordat het escaleert en kinderen alsnog uit huis gaan. De meeste
grootouders betreuren dat er niet eerder is ingegrepen. De kinderen
lopen nu veel meer trauma's op dan nodig is, waar grootouders vervolgens
mee aan het werk moeten. Een grootvader: “Ik wilde dat mijn kleinkind
eerder bij me was komen wonen en niet pas na drieëneenhalf jaar.
Hij had dan een nare voorgeschiedenis van verwaarlozing niet mee
hoeven maken.”
Wat willen grootouders?
Het signaleren van belangrijke thema's die je als grootouder tegenkomt
is één, maar wat vervolgens aan actie te ondernemen?
Er zijn door grootouders vijf speerpunten geformuleerd. Het gaat
om:
- Emancipatie van grootouders die voor hun kleinkinderen zorgen.
Dat wil zeggen erkenning van het pedagogisch en maatschappelijk
belang van grootouders die voor hun kleinkinderen zorgen.
- Informatie voor grootouders zowel aan de voordeur van de Voorziening
voor Pleegzorg als ver daarvoor. Om activiteiten breed te initiëren
willen grootouders graag een landelijk bestand van grootouders
die voor hun kleinkinderen zorgen. Dit bestand kan dan gebruikt
worden als mailinglist.
- Bijeenkomsten over thema's zoals het sociale netwerk, verlatingsangst
van de kinderen en de omgang met hulpverleners.
- Een grootouder-ontmoetingscentrum waar praatgroepen plaatsvinden
en kinderopvang aanwezig is. Eventueel met de mogelijkheid
om eens in de maand samen te koken.
- Praktische ondersteuning in de vorm van een oppas, maar ook
een belangenvereniging voor grootouders. Bijvoorbeeld een juridische
grootoudergroep die grootouders kan adviseren bij rechtszaken rondom
het kleinkind.
Deze speerpunten vormen de basis van een plan van aanpak dat tot
in detail is uitgewerkt. Het zou me niet verbazen als met de implementatie
van dit plan grootouders die voor hun kleinkinderen zorgen steeds
meer in beeld komen.
(1) Projectleider en bedenker van het grootouderproject is Riet
Portengen van adviesbureau Topic. Mirte Loeffen is redactielid van
Mobiel en als adviseur verbonden aan Collegio, kennispraktijk voor
de jeugdzorg.