artikel uit Mobiel 6, december 1999

Kinderen en rouw
Kinderen helpen bij verdriet en verlies

thema: de dood voor ogen

Door:Annet Weijers
De auteur is orthopedagoge en gespecialiseerd in het begeleiden van kinderen, jongeren en hun ouders.

Om kinderen te kunnen helpen in hun rouwproces is een aantal aspecten van belang. Op de eerste plaats hebben kinderen ruimte en veiligheid nodig, en daarin spelen betrokkenheid, contact en uitnodiging een hoofdrol. Daarnaast blijken kennis, inzicht en informatie over verschillende rouwfasen en het anders rouwen van kinderen van belang. Volwassenen die dit kunnen bieden, ondersteunen kinderen in rouw daarmee daadwerkelijk. Orthopedagoge Annet Weijers helpt kinderen bij het verwerken van verliesgevoelens met een eigen methodiek gebaseerd op de bovengenoemd aspecten. Rouwen gebeurt in stadia en verschilt per leeftijdsgroep, aldus Weijers.

De eerste rouwreacties komen bij kinderen soms pas enkele weken of maanden na de dood. Zij schuiven het rouwen vaak voor zich uit tot ze voelen dat voldaan is aan hun fysieke en psychologische veiligheid. Kinderen willen graag dat de zaken weer normaal gaan draaien, dat er weer rust is. Vergelijk het met soldaten in een oorlogssituatie: je kunt je niet veroorloven te rouwen om je maatje, je moet eerst zien zelf te overleven.
Daarin past dat kinderen dan egocentrisch lijken, en gericht zijn op hun eigen problemen: 'Wie brengt mij nu naar zwemles?' 'Je denkt toch zeker niet (aan pappa) dat ik nu met jou beha's ga kopen!'
Om een rouwperiode goed te kunnen afsluiten, moet je echter eerst door een aantal fasen heen:
1) je moet je realiseren wat het verlies betekent en begrijpen wat er is gebeurd;
2) je moet de pijn van het verlies ervaren, verwerken en accepteren;
3) je moet je aanpassen aan een veranderde omgeving, waarbij pappa voor elk kind op een andere manier pappa was;
4) en je moet investeren in nieuwe relaties, leren nieuwe banden aan te gaan en over de toekomst na te denken.
Kinderen kunnen in dit proces concreet worden begeleid. Aan de hand van voorbeelden zal ik hierna aangeven hoe ik daar in mijn praktijk met kinderen aan werk. Ik beschrijf hier maar een deel van de methodieken die ik gebruik. Uitgangspunt van mijn aanpak is de levensvisie dat verdriet onlosmakelijk verbonden is met het leven, het hoort erbij. In mijn praktijk creëer ik een sfeer waarin het kind zich veilig voelt en maak daarbij gebruik van mooie, concrete voorwerpen en veel expressie-materiaal. Van daaruit maak ik de start om met het kind aan het werk te gaan.

Een veilig klimaat creëren

Kinderen moeten zich veilig voelen om vragen te stellen, hun verhaal te vertellen en hun gevoelens te uiten. Het is dus van het allergrootste belang dat je deze sfeer weet te creeën. Mijn werkruimte is daar ook op ingericht. De ruimte heeft een centraal punt, een 'midden': een mooi kleed waarop verschillende voorwerpen liggen zoals stenen, schelpen, veren, beeldjes, regenmaker, klankschaal, indianenvoorwerpen, een kaars, een foto van iemand die ikzelf aan de dood heb verloren, een 'toverstokje', reukolie en natuurlijk ook bloemen. Daarom heen staan, zitten en liggen veel knuffels (waarvan er veel handpoppen zijn). Om deze ring heen ligt in een grote kring de rups Benjamin.
Er is veel concreet materiaal omdat het kinderen kan helpen om verdriet, pijn en gevoelens zichtbaar te maken, maar er liggen ook voorwerpen die een symbolische waarde hebben. Die symbolen helpen mij en kinderen de binnenwereld zichtbaar te maken. Zo hebben alle materialen een functie. Het zijn mijn helpende handen.
We starten altijd met dit midden; we gaan er om heen zitten. Op deze manier maak ik verder kennis met de kinderen, individueel of een groep lotgenootjes. Het is een non-verbale manier om hen te laten merken dat ik hen de moeite waard vind, dat ik hen serieus neem en dat ze er toe doen.
Ik steek de kaars aan en dan zeg ik meteen waarom we bij elkaar zijn: er iemand is doodgegaan, iemand van wie je houdt.
Vaak is er in eerste instantie een schrikreactie omdat iemand zomaar dat grote verdriet benoemt, maar even later volgt vaak een diepe zucht: ‘Het verdriet mag er gewoon zijn’.
Daarna vertel ik over het midden met al die mooie spulletjes, en nodig de kinderen uit een foto van hun overleden dierbare erbij te leggen.
Alle voorwerpen hebben een functie, zo ook Benjamin de rups. Ik vertel over Benjamin’s rupsenleven. Hij is een lange lapjesrups en elk segmentje van de rups heeft een ander kleurtje. De rups weet heel goed wat verandering is. Want dat hebben nu eenmaal alle rupsen in zich: straks, als hun leven als rups klaar is, veranderen in een prachtige vlinder!
Deze Benjamin is niet zomaar een rups.
Hij is een wijze, vriendelijke rups die
het liefst in de buurt is van kinderen. Daarom is hij ook hier. Hij is wijs omdat hij veel van het leven weet. Hij heeft ook al van alles meegemaakt en al heel
wat stukjes leven geleefd. Kijk maar naar al die stukjes, die segmentjes van zijn lijf. Er zijn mooie, lieve, stomme, saaie, gekke en hele nare stukjes, zachte stukjes, stille, gemene, verdrietige en geheime stukjes, gezellige stukjes, noem ze maar op.
En ik vraag de kinderen of zij die verschillende stukjes ook in hun eigen leven herkennen: dan leef je weer een stukje gezellig (of misschien wel twee of meer stukjes), dan is er weer een stukje saai, en soms is er een stuk heel verdrietig.

Functie van metaforen

Deze concrete metafoor voor het leven maakt het leven ook voor kleine kinderen letterlijk voelbaar. Voor grotere kinderen is het een mooi en wijs verhaal dat kan aansporen tot het vertellen van hun eigen verhaal, een eigen metafoor en een eigen manier van begrijpen. Hoe dat werkt maak ik met een voorbeeld uit mijn praktijk duidelijk:
In mijn midden ligt ook een 'toverstokje', (een glazen buisje met daarin bewegende sterretjes en glittertjes). Veel kinderen zeggen dat – als ze hiermee zouden kunnen toveren – ze hun overledene wel weer levend zouden willen toveren.
Datzelfde toverstokje was voor een jongen van tien wiens vader plotseling was overleden aanleiding om een heel filosofisch gedicht over leven en dood te schrijven. In het toverstokje zag hij een levensstokje, fel opflikkerend bij de geboorte van een mens en langzaam uitdovend bij ieders onherroepelijke einde. Toen ik het gedicht aan zijn moeder liet lezen reageerde ze met tranen in haar ogen: 'En ik maar denken dat hij alleen maar kan computeren'.
Later in de groep hadden we het over dingen die je van je overleden vader/moeder had geleerd. Met een stralende lach vertelde hij dat hij van z’n vader: 'computeren en filosoferen' had geleerd.
Als de kinderen hun verhaal hebben verteld voer ik ze terug naar het 'stukje' verdriet en pijn in hun eigen leven. Het stukje pijn wat hen en mij bij elkaar brengt.
Afhankelijk van de leeftijd van de kinderen benoem ik dat opnieuw. Voor kleinere kinderen gebruik ik daarvoor een verhaal van Toon Tellegen. In dit verhaal zitten veel dieren bij elkaar die hun pijn en pijntjes (van binnen of van buiten) opsommen.
Er zijn dan altijd wel een paar kinderen die vertellen over hun eigen pijn: dat ze wel eens van de trap zijn gevallen, over de pleister die nu op hun knie zit en over de pijn van binnen. Alle soorten pijn doen er toe.

Aan het werk

Na deze algemene start gaan we aan het werk. Elk mens(enkind) beleeft afscheid en verlies op een unieke wijze, maar er zijn reacties die algemeen en herkenbaar zijn. Moment, intensiteit, en tempo hiervan kunnen natuurlijk wel verschillen.
De vier fasen in een rouwproces gebruik ik in mijn werkwijze als structuur, als bedding en houvast waar-langs ik mijn 'werklijn' uitzet.
Aan deze lijn koppel ik opdrachten waarmee het kind zich bewust kan worden van wat er is gebeurd, en wat die gebeurtenis betekent in zijn of haar leven.
Bij elke opdracht doe ik zelf mee omdat ik heb ervaren dat het tonen van je eigen kwetsbaarheid en het delen van je levenservaring een krachtige werking heeft.
Twee van die fase-opdrachten bespreek ik hier kort.
In de eerste fase gaan we in op de verandering die in het leven de kinderen heeft plaatsgevonden. 'Er is een tijd vóór dat het gebeurde, en er is een tijd daarna. Hoe zag je leven er voor die tijd uit, en hoe is het nu?' Ik vraag hen er iets over gaan verven of tekenen.
De kinderen gaan aan de slag en ondertussen vertellen ze aan elkaar over het gebeuren en over hoe dat is gekomen. Wat betekent dat, en hoe je leven daardoor is veranderd. Die tekeningen gebruik ik soms ook als praatpapier omdat het voor veel kinderen veiliger voelt om aan de hand van een tekening te praten. Voor kleine kinderen kun je het soms veiliger maken door een handpop een vraag te laten stellen. Zo'n handpop kan dan ook wat vertellen over het leven in het dierenbos en over alle levenstukjes die elkaar daar opvolgen.
Al deze manieren helpen het kind zich het nare, verdrietige stukje in zijn leven te realiseren, te benoemen en het te integreren in zijn leven.

Ook bij de volgende fase van het rouwproces 'het ervaren van de pijn van het verlies' sluit de methode aan. Hierbij is het gaan herkennen en leren uitdrukken van gevoelens van groot belang. Kinderen moeten merken dat er geen verkeerde of rare gevoelens zijn en dat over gevoelens praten altijd belangrijk is, niet alleen wanneer er iets ergs is gebeurd. Om dit te ervaren voeren we weer een opdracht uit. We maken samen een lijst van gevoelens die we ervaren: blij, verdrietig, bang, verlegen, verliefd, of boos zijn. Vervolgens kijken we, ieder voor zich, hoe die gevoelens er bij jezelf uitzien. Bij elk gevoel kiezen we een kleur en geven aan waar dat gevoel in hun lichaam zit. We maken dan een lijftekening waarin alle gevoelens een plek krijgen, met kleur en symbool.
Een meisje van zes vertelde hierover: 'Geel is blij bij mij. Er horen bloemetjes bij en hartjes. Een ster ook en ook liedjes. Als ik blij ben, voel ik het overal van mijn hoofd tot mijn voeten. Ik ben dan helemaal geel, met bloemetjes in mijn haar en ook sterretjes. Je kunt zien dat ik blij ben omdat ik lach en je kunt het ook horen. Je kunt de bloemetjes ruiken en ik heb zin om te bewegen.'
En de mooie tekening volgde als vanzelf erbij. En als vanzelf kwamen ook alle gevoelens aan de beurt, ook boosheid, verdriet etc.
Een ander kind vond rood een 'boze kleur'. 'Als ik boos ben zie ik rood, het zit in mijn handen, dan wil ik stompen.' We praten dan over die boosheid: hoe is het om 'roodboos' te zijn, wat maakt je zo boos en wat wil je dan?
Soms laten we aan elkaar zien hoe die gevoelens er uit zien door middel van een van een toneelspel of door samen in de spiegel te kijken.

Hanteren van gevoelens

De essentie van mijn werkwijze komt er in het kort op neer dat ik kinderen help hun gevoelens te verwoorden en er uitdrukking aan te geven. Het maakt gevoelens voor ze zichtbaar, en daar gaat het om. Want als je je (verborgen) gevoelens zichtbaar kunt maken, kun je er als het ware mee leren spelen, mee leren om te gaan. En als je die gevoelens goed kunt hanteren werkt dat als een pleister op een geschaafde knie, het heeft een helende werking.
De kinderen zelf zijn de grote inspiratiebron voor mijn methodiek geweest. Een groot deel ervan is dan ook ontsproten aan de vele ontmoetingen en gesprekken die ik heb gehad met kinderen in mijn praktijk. Ik moet zeggen dat ik veel heb geleerd van al die wijze kinderen.

Voor hulp en informatie naar aanleiding van dit artikel kunt u terecht bij de Stichting Achter de Regenboog in Utrecht tel.030-230083 of tussen 9.00-10.00 uur bij Annet Weijers, tel. 024-3555549.