artikel uit Mobiel 1, februari 1999

ADHD en pleegkinderen

Door W. B. Gunning
hoogleraar/medisch directeur van de Argonaut, instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie en therapeutische gezinsverpleging, onderzoeker op het gebied ADHD en verslaving

Met * gemerkte woorden en termen worden onderaan toegelicht
ADHD is een afkorting van het Amerikaanse Attention Deficit Hyperactivity Disorder, in het Nederlands noemen we dat 'Aandachtstekortstoornis met Hyperactiviteit'. Door zwakke concentratie en hyperactiviteit komen kinderen met ADHD op school en in hun sociale omgeving in de problemen. ADHD komt bij pleegkinderen veel voor. ADHD begint meestal in de peutertijd. Het is een ontwikkelingsstoornis die zich kenmerkt door gedrag van extreme onbesuisdheid en 'niet luisteren'. De overgang naar andere stoornissen als *autisme, leer- en spraak-/taalstoornissen en hechtingsstoornissen is geleidelijk en zonder scherpe grenzen.

Meestal uit ADHD zich bij basisschoolkinderen in zowel aandachtsproblemen als hyperactiviteit. Bij kleuters gaat het vaak alleen om hyperactiviteit en *impulsiviteit. Er zijn ook kinderen bij wie de ADHD pas in de pubertijd opvalt doordat ze alleen aandachtsproblemen hebben en geen hyperactiviteit. ADHD neemt bij veel kinderen met de jaren af en verdwijnt bij ongeveer de helft zelfs geheel. Er zijn aanwijzingen dat dit komt door de biologische rijping die met de jaren in het zenuwstelsel plaatsvindt. Iets meer dan de helft van de kinderen met ADHD laat driftbuien zien en agressiviteit. Hieruit kan zich op latere leeftijd antisociaal gedrag ontwikkelen, met name als de ADHD met de jaren aanhoudt. Dit vormt soms weer de basis voor een alcohol- of drugverslaving. Er zijn ook jongeren met ADHD, die geen antisociaal gedrag vertonen maar ontdekken dat hasj, *amfetamine en cocaïne helpen tegen de ADHD-symptomen. Uiteindelijk is het ongeveer 25% van de kinderen met ADHD, dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis of een verslaving ontwikkelt. Dit loopt altijd via een traject dat met bijtijdse, adequate hulpverlening waarschijnlijk beter te stoppen is dan op dit moment vaak het geval is.

Als een kind met ADHD in sociale contacten onvoldoende afstand houdt of niet goed 'schakelt', is vaak moeilijk uit te maken of dat komt door onbesuisdheid of door een niet goed aanvoelen van wat zich tussen mensen afspeelt. Dit gedrag komt ook voor bij aan autisme verwante en taalontwikkelings stoornissen en chronische tics als het *Gilles de la Tourette syndroom.

Als een kind door het ontbreken van duurzame, zorgzame opvoeders, geen oog (in feite aandacht) is gaan krijgen voor zijn ouders en oppervlakkig contact legt met wie er maar op zijn pad komt, is er ook sprake van ADHD-symptomen, nu echter als onderdeel van een hechtingsstoornis. Behalve bij kinderen die lang in een tehuis hebben gezeten (of langdurig in een ziekenhuis opgenomen zijn geweest!) ziet men dit beeld soms ook in gezinnen, waar geen sprake was van verwaarlozing. Naarmate het kind ouder wordt, blijkt in die gevallen vaak dat er sprake is van een autisme verwante stoornis.

Tenslotte heeft ongeveer 30% van de kinderen met ADHD een leerstoornis (bijv. *dyslexie) en is bij een kwart sprake van een angststoornis of depressie. Uit onderzoek blijkt dat de emotionele problemen bij kinderen in veel gevallen niet het gevolg zijn van de ADHD, maar een bijkomend probleem dat apart aandacht vraagt.

De oorzaken van ADHD

Een kind dat van jongsafaan druk en snel afgeleid is en altijd net iets sneller *ontremt dan andere kinderen, zelfs in situaties die daar weinig aanleiding toe geven, maakt de indruk een aangeboren aanleg voor ADHD te hebben. Deze kinderen vielen in het begin van de 20e eeuw ook al op. In de dertiger jaren waren er kinderen, die de Spaanse griep hadden doorgemaakt en vervolgens ADHD-achtige symptomen ontwikkelden. Het bleek dat als ze amfetamine kregen toegediend, de ADHD-symptomen tijdelijk verdwenen. Terecht is toen geconcludeerd dat een hersenfunctiestoornis aan de symptomen ten grondslag ligt. Tot ongeveer tien jaar geleden zijn kinderen met ADHD en kinderen met een autisme verwante stoornis ook aangeduid met MBD, Minimal Brain Dysfunction. Die term wordt niet meer gebruikt omdat er twee misverstanden door werden opgeroepen: 1) dat de oorzaak zou zitten in zuurstoftekort tijdens de bevalling; en 2) dat op grond van het gedrag gedacht moest worden aan *neurologische afwijkingen zonder dat bij lichamelijk onderzoek enige afwijking hoefde te worden gevonden. Vaak werd bij kinderen met MBD een onhandige motoriek gevonden. Het is belangrijk dat ouders weten dat kinderen met ADHD in veel gevallen een normale ontwikkeling van de motoriek laten zien en dat een onhandige motoriek geen voorwaarde is voor de diagnose ADHD.

Later bleek, dat in ongeveer een kwart van de gevallen de vader of de moeder van een kind met ADHD ook ADHD heeft. Vervolgens wees ook tweelingonderzoek op het bestaan van een erfelijke factor. De kans dat tweelingen beiden ADHD hebben is groter bij eeneiige dan bij twee-eiige tweelingen. Omdat een-eiige tweelingen in erfelijk materiaal meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingen, is dit een argument voor het bestaan van een erfelijke factor bij ADHD.

Bij kinderen met ADHD functioneren de zenuwcellen die *dopamine als overdrachtstof gebruiken waarschijnlijk niet naar behoren. Dat is niet erg als de situatie waar het kind in verkeert niet te opwindend is en niet te ingewikkeld. Is dat wel zo dan ontremt het kind en vindt het minder snel de beheersing terug als andere kinderen. De gebreken in de overdracht van dopamine zijn op te heffen met amfetamine-achtige stoffen, die de overdracht van dopamine doen toenemen. Methylfenidaat (Ritalin) is zo'n stof. Als medicijn toegediend maakt het kinderen met ADHD beter bereikbaar voor opvoedkundige en onderwijskundige maatregelen. In de Verenigde Staten wordt wel eens gezegd: zoals een bijziende goede ogen heeft, maar een bril nodig heeft om goed te kunnen zien, heeft een kind met ADHD Ritalin nodig om goed te kunnen luisteren. In Nederland vinden we dat wat overtrokken, wat niet wegneemt dat ook bij ons het gebruik van amfetamine-achtige stoffen bij kinderen met ADHD een grote rol is gaan spelen.

Er zijn kinderen met ADHD, bij wie nog andere oorzaken een rol spelen. Er zijn bepaalde syndromen die gepaard gaan met aangeboren misvormingen, met ADHD als symptoom. Ook bij kinderen van drugsverslaafden komt veel ADHD voor. Hier kan het de invloed zijn van drugs (en ondervoeding) tijdens de zwangerschap, naast verwaarlozing en mishandeling, maar speelt ook erfelijkheid vaak een grote rol. In veel gevallen was het de ADHD, die de ouder in zijn of haar verslaving deed belanden. Ten slotte is er de groep veel te vroeg geboren kinderen. Couveuzekinderen zijn meestal wat laat met concentratie, motoriek en taal. In ongeveer een kwart van de gevallen neemt dit de omvang aan van ADHD.

Signalering en verwijzing

Kinderen met ADHD komen vaak rond de overgang van kleuterklas naar groep 3 onder zorg. De aanleiding zit meestal in de werkhouding, 'niet luisteren' en problemen in de omgang met leeftijdgenootjes. De ADHD-symptomen vielen al op vanaf het tweede jaar en de ouders hebben op het consultatiebureau al advies gevraagd voor het drukke en driftige gedrag. Er zijn consultatiebureaus die speciale hulp geven aan ouders van peuters met ADHD. Het komt weinig voor dat een kind met ADHD als peuter meer hulp nodig heeft. Vaak biedt het Medisch Kleuter Dagverblijf dan goede mogelijkheden. En is *ADHD-medicatie aan de orde dan zal een kinder- en jeugdpsychiater worden ingeschakeld. Op de kleuterleeftijd bestaat de hulp veelal uit opvoedkundige adviezen, zo nodig plaatsing in de observatieklas van een school voor speciaal onderwijs als het kind opvoedkundig onvoldoende bereikbaar is medicijnen.

Om tot een goed behandelplan te komen is een team van deskundigen nodig. Afhankelijk van de stoornis kan zo'n team bestaan uit een kinderarts, een jeugdarts of een kinder- en jeugdpsychiater, een kinderneuroloog, een revalidatiearts, een psycholoog of orthopedagoog. Soms worden ook de kinderfysiotherapeut en de logopedist bij de *diagnostiek betrokken. ADHD-teams bestaan bij Bureau Jeugdzorg, in algemene ziekenhuizen, bij kinder- en jeugdpsychiatrische poliklinieken en bij RIAGG-jeugdteams. Ook zijn er vrijgevestigde psychotherapeuten, die zelf een goed-lopend ADHD-netwerk hebben opgebouwd.

Om op tijd naar de juiste plek een verwijzing te realiseren is het nodig om het kind te onderzoeken. De aan de school verbonden jeugdarts is hiervoor de aangewezen persoon. Vaak speelt de vraag of de ADHD-symptomen wel ernstig genoeg zijn om een verwijzing te rechtvaardigen. Jeugdartsen worden opgeleid om goed te signaleren en onnodige verwijzingen te voorkomen. Komt het tot een verwijzing dan loopt deze via (een advies van de jeugdarts aan) de huisarts. Verwijzing heeft pas zin zodra het kind als gevolg van zijn probleemgedrag leerproblemen ontwikkelt, opvoedkundig onvoldoende bereikbaar is of vastloopt in zijn contacten met leeftijdgenoten. Door de eisen die gesteld worden in een nieuwe levensfase (bijv. groep 3) kan dat moment opeens zijn aangebroken. Wachttijden zijn dan erg lastig.

Behandeling met medicijnen en gedragstherapie

ADHD-medicijnen bestaan meestal uit amfetamines. Gedragstherapie bestaat altijd uit opvoedkundige adviezen (vaak *mediatietherapie). De adviezen zijn gericht op de ouders en vaak ook de leerkracht. Vanaf ongeveer acht jaar kunnen de opvoedkundige adviezen worden aangevuld met andere therapieën of sociale vaardigheidstrainingen voor het kind, individueel of in groepsverband.

Omdat amfetamines meer effect hebben op de ADHD-symptomen dan gedragstherapie, is het in de Verenigde Staten gebruikelijk om altijd medicijnen te geven, ook bij lichte gevallen van ADHD. In Europa vindt men, dat medicijnen alleen moet worden toegepast als het kind onvoldoende bereikbaar is voor gedragstherapie. Dit betekent niet dat altijd eerst gedragstherapie moet zijn gegeven voordat het kind medicijnen krijgt, maar houdt wel in dat een hulpverlener met kennis van zake op beide terreinen met de ouders moet bespreken welk behandelpakket, in welke volgorde het beste kan worden samengesteld.

Bij kinderen die door een forse ADHD slecht toegankelijk zijn voor gedragstherapie is het gebruikelijk om eerst de medicatie in te stellen en daarna de gedragstherapie aan te scherpen. Gedragstherapie zal over het algemeen gedurende 3-4 maanden nodig zijn. Ouders en leerkrachten kunnen na deze start de aanpak veelal op eigen kracht voortzetten. De behandeling met medicijnen wordt voortgezet tot deze een duidelijk en voldoende effect heeft en er geen sprake is van hinderlijke bijwerkingen. Dat kan bij kinderen en jongeren, bij wie de ADHD met de jaren fors aanwezig blijft, 10-15 jaar zijn. Uit onderzoek komt naar voren dat een dergelijke langdurige behandeling met amfetamines niet schadelijk is en ook de (al aanwezige) kans op het ontwikkelen van een verslaving niet vergroot.

Tot slot

Bij pleegkinderen met ADHD is door het ontbreken van gegevens over voorgeschiedenis en familie vaak niet goed te achterhalen wat kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van ADHD. Voor het instellen van een goede behandeling is dat ook niet nodig. In die zin kunnen pleegkinderen met ADHD net zo worden behandeld als andere kinderen met ADHD. Wel wordt de geringe kennis van pleegzorg bij andere hulpverleners vaak als een lacune gezien.

Onze ervaring bij pleegkinderen met ADHD is dat in de diagnostiek een nauwe samenwerking nodig is tussen een kinder- en jeugdpsychiatrische instelling en een instelling voor pleegzorg of therapeutische gezinsverpleging om gezamenlijk tot een goed behandeladvies naar pleegouders te komen.

 

* Een aantal woorden en termen uit dit artikel wordt hier toegelicht:

Amfetamine: stimulerende stof die in de hersenen de signaaloverdracht van dopamine aanzet.

Autisme: ontwikkelingsstoornis waarbij sprake is van een contact- en communicatiestoornis en speciale interesses of rituelen. Er zijn verschillende vormen van autisme.

Diagnostiek: vaststellen van een ziekte of stoornis aan de hand van kenmerken.

Dyslexie: woordblindheid, leeszwakte.

Dopamine: overdrachtsstof in de hersencellen.

Gilles de la Tourette syndroom: stoornis waarbij men onwillekeurige of drangachtige bewegingen en soms ook geluiden maakt.

Impulsiviteit: doen zonder te denken vooraf.

Mediatietherapie: bij deze therapie worden de ouders gecoacht hoe het kind te helpen. Via de ouders (zij zijn het medium) wordt het kind bereikt.

Medicatie: het voorschrijven van geneesmiddelen. Voor nadere informatie over medicijngebruik zie in de literatuurlijst het boekje 'Toen we de bijsluiter lazen'.

Neurologische afwijkingen: afwijking die met het zenuwstelsel te maken heeft.

Ontremmen: de controle verliezen over je eigen gedrag bijvoorbeeld heel hard praten als het spannend is.

Noot

De redactie heeft een uitgebreide literatuurlijst over ADHD samengesteld. De lijst kunt u opvragen bij MOBIEL