ADHD is een afkorting van
het Amerikaanse Attention Deficit Hyperactivity Disorder,
in het Nederlands noemen we dat 'Aandachtstekortstoornis
met Hyperactiviteit'. Door zwakke concentratie en
hyperactiviteit komen kinderen met ADHD op school en in
hun sociale omgeving in de problemen. ADHD komt bij
pleegkinderen veel voor. ADHD begint meestal in de
peutertijd. Het is een ontwikkelingsstoornis die zich
kenmerkt door gedrag van extreme onbesuisdheid en 'niet
luisteren'. De overgang naar andere stoornissen als
*autisme, leer- en spraak-/taalstoornissen en
hechtingsstoornissen is geleidelijk en zonder scherpe
grenzen.
Meestal uit ADHD zich bij
basisschoolkinderen in zowel aandachtsproblemen als
hyperactiviteit. Bij kleuters gaat het vaak alleen om
hyperactiviteit en *impulsiviteit. Er zijn ook
kinderen bij wie de ADHD pas in de pubertijd opvalt
doordat ze alleen aandachtsproblemen hebben en geen
hyperactiviteit. ADHD neemt bij veel kinderen met de
jaren af en verdwijnt bij ongeveer de helft zelfs geheel.
Er zijn aanwijzingen dat dit komt door de biologische
rijping die met de jaren in het zenuwstelsel plaatsvindt.
Iets meer dan de helft van de kinderen met ADHD laat
driftbuien zien en agressiviteit. Hieruit kan zich op
latere leeftijd antisociaal gedrag ontwikkelen, met name
als de ADHD met de jaren aanhoudt. Dit vormt soms weer de
basis voor een alcohol- of drugverslaving. Er zijn ook
jongeren met ADHD, die geen antisociaal gedrag vertonen
maar ontdekken dat hasj, *amfetamine en
cocaïne helpen tegen de ADHD-symptomen. Uiteindelijk
is het ongeveer 25% van de kinderen met ADHD, dat een
antisociale persoonlijkheidsstoornis of een verslaving
ontwikkelt. Dit loopt altijd via een traject dat met
bijtijdse, adequate hulpverlening waarschijnlijk beter te
stoppen is dan op dit moment vaak het geval is.
Als een kind met ADHD in sociale
contacten onvoldoende afstand houdt of niet goed
'schakelt', is vaak moeilijk uit te maken of dat komt
door onbesuisdheid of door een niet goed aanvoelen van
wat zich tussen mensen afspeelt. Dit gedrag komt ook voor
bij aan autisme verwante en taalontwikkelings stoornissen
en chronische tics als het *Gilles de la Tourette
syndroom.
Als een kind door het ontbreken van
duurzame, zorgzame opvoeders, geen oog (in feite
aandacht) is gaan krijgen voor zijn ouders en
oppervlakkig contact legt met wie er maar op zijn pad
komt, is er ook sprake van ADHD-symptomen, nu echter als
onderdeel van een hechtingsstoornis. Behalve bij kinderen
die lang in een tehuis hebben gezeten (of langdurig in
een ziekenhuis opgenomen zijn geweest!) ziet men dit
beeld soms ook in gezinnen, waar geen sprake was van
verwaarlozing. Naarmate het kind ouder wordt, blijkt in
die gevallen vaak dat er sprake is van een autisme
verwante stoornis.
Tenslotte heeft ongeveer 30% van de
kinderen met ADHD een leerstoornis (bijv.
*dyslexie) en is bij een kwart sprake van een
angststoornis of depressie. Uit onderzoek blijkt dat de
emotionele problemen bij kinderen in veel gevallen niet
het gevolg zijn van de ADHD, maar een bijkomend probleem
dat apart aandacht vraagt.
De oorzaken van
ADHD
Een kind dat van jongsafaan druk en
snel afgeleid is en altijd net iets sneller
*ontremt dan andere kinderen, zelfs in situaties
die daar weinig aanleiding toe geven, maakt de indruk een
aangeboren aanleg voor ADHD te hebben. Deze kinderen
vielen in het begin van de 20e eeuw ook al op. In de
dertiger jaren waren er kinderen, die de Spaanse griep
hadden doorgemaakt en vervolgens ADHD-achtige symptomen
ontwikkelden. Het bleek dat als ze amfetamine kregen
toegediend, de ADHD-symptomen tijdelijk verdwenen.
Terecht is toen geconcludeerd dat een
hersenfunctiestoornis aan de symptomen ten grondslag
ligt. Tot ongeveer tien jaar geleden zijn kinderen met
ADHD en kinderen met een autisme verwante stoornis ook
aangeduid met MBD, Minimal Brain Dysfunction. Die term
wordt niet meer gebruikt omdat er twee misverstanden door
werden opgeroepen: 1) dat de oorzaak zou zitten in
zuurstoftekort tijdens de bevalling; en 2) dat op grond
van het gedrag gedacht moest worden aan
*neurologische afwijkingen zonder dat bij
lichamelijk onderzoek enige afwijking hoefde te worden
gevonden. Vaak werd bij kinderen met MBD een onhandige
motoriek gevonden. Het is belangrijk dat ouders weten dat
kinderen met ADHD in veel gevallen een normale
ontwikkeling van de motoriek laten zien en dat een
onhandige motoriek geen voorwaarde is voor de diagnose
ADHD.
Later bleek, dat in ongeveer een kwart
van de gevallen de vader of de moeder van een kind met
ADHD ook ADHD heeft. Vervolgens wees ook
tweelingonderzoek op het bestaan van een erfelijke
factor. De kans dat tweelingen beiden ADHD hebben is
groter bij eeneiige dan bij twee-eiige tweelingen. Omdat
een-eiige tweelingen in erfelijk materiaal meer op elkaar
lijken dan twee-eiige tweelingen, is dit een argument
voor het bestaan van een erfelijke factor bij ADHD.
Bij kinderen met ADHD functioneren de
zenuwcellen die *dopamine als overdrachtstof
gebruiken waarschijnlijk niet naar behoren. Dat is niet
erg als de situatie waar het kind in verkeert niet te
opwindend is en niet te ingewikkeld. Is dat wel zo dan
ontremt het kind en vindt het minder snel de beheersing
terug als andere kinderen. De gebreken in de overdracht
van dopamine zijn op te heffen met amfetamine-achtige
stoffen, die de overdracht van dopamine doen toenemen.
Methylfenidaat (Ritalin) is zo'n stof. Als medicijn
toegediend maakt het kinderen met ADHD beter bereikbaar
voor opvoedkundige en onderwijskundige maatregelen. In de
Verenigde Staten wordt wel eens gezegd: zoals een
bijziende goede ogen heeft, maar een bril nodig heeft om
goed te kunnen zien, heeft een kind met ADHD Ritalin
nodig om goed te kunnen luisteren. In Nederland vinden we
dat wat overtrokken, wat niet wegneemt dat ook bij ons
het gebruik van amfetamine-achtige stoffen bij kinderen
met ADHD een grote rol is gaan spelen.
Er zijn kinderen met ADHD, bij wie nog
andere oorzaken een rol spelen. Er zijn bepaalde
syndromen die gepaard gaan met aangeboren misvormingen,
met ADHD als symptoom. Ook bij kinderen van
drugsverslaafden komt veel ADHD voor. Hier kan het de
invloed zijn van drugs (en ondervoeding) tijdens de
zwangerschap, naast verwaarlozing en mishandeling, maar
speelt ook erfelijkheid vaak een grote rol. In veel
gevallen was het de ADHD, die de ouder in zijn of haar
verslaving deed belanden. Ten slotte is er de groep veel
te vroeg geboren kinderen. Couveuzekinderen zijn meestal
wat laat met concentratie, motoriek en taal. In ongeveer
een kwart van de gevallen neemt dit de omvang aan van
ADHD.
Signalering en
verwijzing
Kinderen met ADHD komen vaak rond de
overgang van kleuterklas naar groep 3 onder zorg. De
aanleiding zit meestal in de werkhouding, 'niet
luisteren' en problemen in de omgang met
leeftijdgenootjes. De ADHD-symptomen vielen al op vanaf
het tweede jaar en de ouders hebben op het
consultatiebureau al advies gevraagd voor het drukke en
driftige gedrag. Er zijn consultatiebureaus die speciale
hulp geven aan ouders van peuters met ADHD. Het komt
weinig voor dat een kind met ADHD als peuter meer hulp
nodig heeft. Vaak biedt het Medisch Kleuter Dagverblijf
dan goede mogelijkheden. En is *ADHD-medicatie aan
de orde dan zal een kinder- en jeugdpsychiater worden
ingeschakeld. Op de kleuterleeftijd bestaat de hulp
veelal uit opvoedkundige adviezen, zo nodig plaatsing in
de observatieklas van een school voor speciaal onderwijs
als het kind opvoedkundig onvoldoende bereikbaar is
medicijnen.
Om tot een goed behandelplan te komen
is een team van deskundigen nodig. Afhankelijk van de
stoornis kan zo'n team bestaan uit een kinderarts, een
jeugdarts of een kinder- en jeugdpsychiater, een
kinderneuroloog, een revalidatiearts, een psycholoog of
orthopedagoog. Soms worden ook de kinderfysiotherapeut en
de logopedist bij de *diagnostiek betrokken.
ADHD-teams bestaan bij Bureau Jeugdzorg, in algemene
ziekenhuizen, bij kinder- en jeugdpsychiatrische
poliklinieken en bij RIAGG-jeugdteams. Ook zijn er
vrijgevestigde psychotherapeuten, die zelf een
goed-lopend ADHD-netwerk hebben opgebouwd.
Om op tijd naar de juiste plek een
verwijzing te realiseren is het nodig om het kind te
onderzoeken. De aan de school verbonden jeugdarts is
hiervoor de aangewezen persoon. Vaak speelt de vraag of
de ADHD-symptomen wel ernstig genoeg zijn om een
verwijzing te rechtvaardigen. Jeugdartsen worden opgeleid
om goed te signaleren en onnodige verwijzingen te
voorkomen. Komt het tot een verwijzing dan loopt deze via
(een advies van de jeugdarts aan) de huisarts. Verwijzing
heeft pas zin zodra het kind als gevolg van zijn
probleemgedrag leerproblemen ontwikkelt, opvoedkundig
onvoldoende bereikbaar is of vastloopt in zijn contacten
met leeftijdgenoten. Door de eisen die gesteld worden in
een nieuwe levensfase (bijv. groep 3) kan dat moment
opeens zijn aangebroken. Wachttijden zijn dan erg lastig.
Behandeling met medicijnen en
gedragstherapie
ADHD-medicijnen bestaan meestal uit
amfetamines. Gedragstherapie bestaat altijd uit
opvoedkundige adviezen (vaak *mediatietherapie).
De adviezen zijn gericht op de ouders en vaak ook de
leerkracht. Vanaf ongeveer acht jaar kunnen de
opvoedkundige adviezen worden aangevuld met andere
therapieën of sociale vaardigheidstrainingen voor
het kind, individueel of in groepsverband.
Omdat amfetamines meer effect hebben
op de ADHD-symptomen dan gedragstherapie, is het in de
Verenigde Staten gebruikelijk om altijd medicijnen te
geven, ook bij lichte gevallen van ADHD. In Europa vindt
men, dat medicijnen alleen moet worden toegepast als het
kind onvoldoende bereikbaar is voor gedragstherapie. Dit
betekent niet dat altijd eerst gedragstherapie moet zijn
gegeven voordat het kind medicijnen krijgt, maar houdt
wel in dat een hulpverlener met kennis van zake op beide
terreinen met de ouders moet bespreken welk
behandelpakket, in welke volgorde het beste kan worden
samengesteld.
Bij kinderen die door een forse ADHD
slecht toegankelijk zijn voor gedragstherapie is het
gebruikelijk om eerst de medicatie in te stellen en
daarna de gedragstherapie aan te scherpen.
Gedragstherapie zal over het algemeen gedurende 3-4
maanden nodig zijn. Ouders en leerkrachten kunnen na deze
start de aanpak veelal op eigen kracht voortzetten. De
behandeling met medicijnen wordt voortgezet tot deze een
duidelijk en voldoende effect heeft en er geen sprake is
van hinderlijke bijwerkingen. Dat kan bij kinderen en
jongeren, bij wie de ADHD met de jaren fors aanwezig
blijft, 10-15 jaar zijn. Uit onderzoek komt naar voren
dat een dergelijke langdurige behandeling met amfetamines
niet schadelijk is en ook de (al aanwezige) kans op het
ontwikkelen van een verslaving niet vergroot.
Tot slot
Bij pleegkinderen met ADHD is door het
ontbreken van gegevens over voorgeschiedenis en familie
vaak niet goed te achterhalen wat kan hebben bijgedragen
aan het ontstaan van ADHD. Voor het instellen van een
goede behandeling is dat ook niet nodig. In die zin
kunnen pleegkinderen met ADHD net zo worden behandeld als
andere kinderen met ADHD. Wel wordt de geringe kennis van
pleegzorg bij andere hulpverleners vaak als een lacune
gezien.
Onze ervaring bij pleegkinderen met
ADHD is dat in de diagnostiek een nauwe samenwerking
nodig is tussen een kinder- en jeugdpsychiatrische
instelling en een instelling voor pleegzorg of
therapeutische gezinsverpleging om gezamenlijk tot een
goed behandeladvies naar pleegouders te komen.
|
* Een
aantal woorden en termen uit dit artikel wordt
hier toegelicht:
Amfetamine: stimulerende stof
die in de hersenen de signaaloverdracht van
dopamine aanzet.
Autisme: ontwikkelingsstoornis
waarbij sprake is van een contact- en
communicatiestoornis en speciale interesses
of rituelen. Er zijn verschillende vormen van
autisme.
Diagnostiek: vaststellen van een
ziekte of stoornis aan de hand van
kenmerken.
Dyslexie: woordblindheid,
leeszwakte.
Dopamine: overdrachtsstof in de
hersencellen.
Gilles de la Tourette syndroom:
stoornis waarbij men onwillekeurige of
drangachtige bewegingen en soms ook geluiden
maakt.
Impulsiviteit: doen zonder te
denken vooraf.
Mediatietherapie: bij deze therapie
worden de ouders gecoacht hoe het kind te
helpen. Via de ouders (zij zijn het medium)
wordt het kind bereikt.
Medicatie: het voorschrijven van
geneesmiddelen. Voor nadere informatie over
medicijngebruik zie in de literatuurlijst het
boekje 'Toen we de bijsluiter lazen'.
Neurologische afwijkingen:
afwijking die met het zenuwstelsel te maken
heeft.
Ontremmen: de controle verliezen
over je eigen gedrag bijvoorbeeld heel hard
praten als het spannend is.
|