Twee gezinshuismoeders

Twee vrouwen die samen gezinshuisouders zijn. “Voor de kinderen vinden wij het weleens moeilijk. Door hun uithuisplaatsing hebben ze al een uitzonderingspositie en dan moeten ze hun vriendjes ook nog vertellen dat ze bij twee moeders wonen.”

Wat is de samenstelling van jullie gezin?
“Wij zijn Marijke en Jeanet en wij zorgen voor zeven kinderen: twee zusjes Maartje (10) en Mieke (9), twee broers Daan (15) en Tom (12), Simon (13), Richard (14) en de broer van Richard, Rick (16), is ons weekend­pleegkind.”

Hoe kwamen jullie ertoe om pleegouder te worden?
Marijke: “Wij werkten allebei in het onderwijs en Jeanet kreeg een pleegkind in de klas. Dat was de aanzet tot weekend- en vakantiepleegzorg.” Na een burn-out merkte Marijke dat ze het wel gezien had in het onderwijs. Ze stopte met de zomervakantie en dacht: Ik zie wel wat er op mijn pad komt. In de eerste week van de zomervakantie belde de pleegzorginstantie of ze de crisisopvang van twee meisjes van 3 en 5 jaar wilden doen. Sindsdien zijn er altijd minstens vier kinderen bij hen in huis geweest, altijd kinderen die de meest intensieve zorg nodig hebben. Daardoor kreeg Jeanet behoefte om ook meer te doen in de zorg voor de kinderen. Ze zijn als zelfstandig ondernemer gezins­huisouders geworden.

Hoe reageerde de omgeving en jullie familie op het pleegouderschap?
Jeanet: “Positief. Niemand keek ervan op dat wij dat gingen doen.”

Hoe ziet de begeleiding eruit en voorziet die in de behoefte?
“We hebben nog één pleegkind en een pleegzorgwerker en voor de andere kinderen hebben we een gezinshuisbegeleider”, vertelt Marijke. “We kunnen met beiden goed samenwerken. We hebben op dit moment ook zeer betrokken (gezins)voogden. Doordat alle kinderen ernstig beschadigd zijn, is het weleens nodig dat wij een weekend voor onszelf hebben. Voor alle kinderen op één na, is er een gastgezin waar ze graag naar toe gaan. Eén jongen blijft thuis, want hij kan niet zonder ons en voor hem is er ook geen geschikt gezin te vinden.”

Waar hebben jullie steun bij nodig, waar zijn jullie onzeker over?
Jeanet: “Voor onze geestelijke steun hebben we zelf een coach ingehuurd met wie we kunnen praten over de problematiek van dit gezin. Zij is iemand die van buitenaf meekijkt en zij is voor ons een uitlaatklep. Tegen haar kunnen wij ongenuanceerd zeggen waar we tegenaan lopen.”

Hoe ziet het contact met ouders en familieleden eruit?
“Een goed contact met de ouders is belangrijk”, zegt Jeanet. “Als zij het goed vinden dat de kinderen hier wonen, hebben we al veel gewonnen. Een van de moeders is gedetineerd, maar de andere ouders hebben allemaal een bezoekregeling, bij ons thuis of bij de pleeg­zorgorganisatie. We brengen hen van alles op de hoogte: afzwemmen, een beugel, naar de dokter enzovoort.” Marijke: “Ik ben in de loop der tijd de ouders anders gaan zien. Ze zijn niet bij machte op een goede manier voor hun kinderen te zorgen. In dat besef kunnen we hen hartelijk ontvangen.”

Welke praktische problemen komen jullie tegen?
Marijke: “Het is heel moeilijk om een oppas te vinden. We gaan nooit samen weg. Laatst één keer, naar de be­grafenis van een goede vriendin van ons. Toen pasten hier twee mensen op de jongens en de meisjes waren naar hun gastgezinnen. Naar andere dingen gaat een van ons met de kinderen die het aan kunnen.”

Hoe gaan de kinderen met elkaar om?
Jeanet: “Als broers en zussen. Tom en Mieke zijn goede maatjes, Simon, Richard en Daan zitten op dezelfde golflengte. Met gezinsactiviteiten doen ze allemaal mee. Aan tafel vertellen ze elkaar soms dingen die vroeger bij hen thuis gebeurd zijn. Ze noemen ons thuis bij de naam, maar op school hebben ze het over ‘onze moeders’.”

Zijn er momenten waarop jullie denken: ‘We hadden er nooit aan moeten beginnen’?
Marijke: “Zeker, maar die momenten wegen niet op tegen de keren dat ik denk: ‘Wat hebben we het goed!’ We houden voor ogen dat de wieg van deze kinderen op een verkeerde plek heeft gestaan. Zij kunnen er niets aan doen dat ze deze problematiek hebben opgebouwd. Wij willen hun graag laten zien dat het anders kan.”

Beschrijf een ervaring die illustreert: ‘Daar doe ik het voor!’
Jeanet: “Toen Richard tien jaar bij ons woonde, heeft hij een kunstwerk voor ons gemaakt. Hij noemde het ‘Verbinding’: twee gouden mensfiguren aan weers­zijden van een kleiner mensfiguur en die drie zijn verbonden met een draad. We kregen het met een gedicht erbij!”

 


Tags: ,