Vrijwillige pleeggezinplaatsing

Per 1 januari is de Jeugdwet in werking getreden. Ook zijn bij wet de kinderbeschermingsmaatregelen (ondertoezichtstelling en gezagsbeëindiging) gewijzigd. Deze wetten staan in de praktijk op gespannen voet met elkaar.

De Jeugdwet bevordert de zelfredzaamheid van ouders, stuurt aan op preventie en gaat met forse bezuinigingen gepaard. Het doel van de nieuwe kinderbeschermingsmaatregelen is dat het belang van het kind meer centraal staat. Als het kind bijvoorbeeld niet binnen een aanvaardbare termijn(1) weer door de ouders kan worden opgevoed, moet aan de kinderrechter om beëindiging van het ouderlijk gezag worden verzocht. Als er wel zicht is op opvoeding door de ouders binnen een aanvaardbare termijn, wordt om een OTS verzocht.

De Raad brengt standaard na twee jaar uithuisplaatsing in het kader van de OTS aan de kinderrechter advies uit of het perspectief van het kind bij de ouders ligt of niet. Naar verwachting behoren jarenlange OTS en uithuisplaatsing hiermee tot het verleden.

Zorgelijke ontwikkeling
In de praktijk blijkt echter ook een andere – naar mijn mening zorge­lijke – ontwikkeling. Het blijkt voor te komen dat de Raad en/of de gecertificeerde instelling (gezinsvoogd) na jarenlange OTS en pleegzorg voorstelt om de plaatsing voort te zetten in het vrijwillig kader. Dit betekent: pleegzorg zonder kinderbeschermingsmaatregel met als argument dat de ouders met gezag kunnen instemmen met de pleeggezinplaatsing. Waarom zou er na een jarenlang gedwongen kader ineens geen reden meer zijn voor een kinderbeschermingsmaatregel en is een vrijwillige plaatsing dan het juiste kader?

De vraag is of de ouders met gezag echt kunnen instemmen met vrijwillige pleegzorg. Het voorstel wordt namelijk veelal gedaan op het moment dat de Raad onderzoek doet naar gezagsbeëindiging dan wel het (opgroei)perspectief van het kind. Begrijpelijkerwijs zullen ouders dit proberen te voorkomen. Als ze achteraf niet kunnen instemmen met een vrijwillig verblijf van hun kind in het pleeggezin, kunnen de pleegouders zich formeel pas na een jaar vrijwillige plaatsing op het blokkaderecht(2) beroepen. Hoewel de rechter veelal bereid is naar de totale verzorgingstermijn van het kind door de pleegouders te kijken, komt de consequentie bij de pleeg­ouders te liggen: zij moeten juridische stappen zetten. Daarmee komt de relatie tussen de pleegouder en ouders onder druk te staan, hetgeen niet in het belang van het kind is.

Praktijk
In de praktijk signaleren verschillende pleegzorgaanbieders dat er wordt aangestuurd op vrijwillige pleegzorg, ook in zaken die hiervoor niet geschikt zijn. Mogelijk spelen bezuinigingsmotieven een rol: gedwongen hulpverlening is ‘dure’ hulpverlening. Belangrijk is dat pleegouders en pleegzorgaanbieders kritisch zijn op deze ontwikkeling. Pleegzorgaanbieders kunnen pleeg­ouders wijzen op de consequenties. Pleegouders raad ik aan een gedegen afweging te maken, voordat ze in­stemmen met vrijwillige pleegzorg na een jarenlange OTS en uithuisplaatsing. Overigens kunnen pleeg­ouders uiteindelijk, en indien nodig, zelf ook om gezagsbeëindiging verzoeken. Dit kan wanneer de Raad hiertoe niet overgaat en daarnaast het pleegkind een jaar of langer in het pleeggezin verblijft.

(1) De wet noemt geen termijn. Wat een aanvaardbare termijn is, hangt per geval af van de ontwikkeling en de persoonlijkheid van het kind. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling.

(2) Zie over blokkaderecht onder andere ‘Hoe zit dat’, Mobiel 6, 2010.

 


Tags: ,