Mickey

Auteur: Violette Kieft

In hoeverre kon ik mijn moeder met een bipolaire stoornis verwijten dat ze niet goed voor ons kon zorgen? Als de opvoeding van de kinderen haar al zwaar viel, waarom zou ze zichzelf dan ook nog eens belasten met de zorg voor huisdieren? Daar dacht mijn moeder blijkbaar anders over.

In een manische periode haalde mijn moeder een rode kat in huis. Sien was haar naam. Niet veel later kwam daar een kater bij. Heel gezellig vonden mijn broers, zus en ik. Nog gezelliger vonden we het dat Sien een nest kittens had geworpen. Zij kregen een nieuw thuis. Sien en de kater bleven bij ons. Voordat we het wisten, was er weer een nest. Mijn moeder vond het in haar depressieve periode welletjes en besloot impulsief dat de kittens in de winter prima buiten konden leven. De volgende dag zagen we een aantal katjes doodgevroren in de tuin liggen. Tja, dat is ook een manier om ze kwijt te raken.

Sigaretten of steriliseren
Veel geld had mijn moeder niet. De keuze tussen drank, sigaretten, kleding, make-up, eten of de katten laten steriliseren was snel gemaakt. Sien werd weer zwanger. Nu mochten een paar kittens blijven, besloot mijn moeder. Het had te maken met schuldgevoelens, denk ik. We verhuisden naar Drenthe, naar een huisje in een bos. De katten verhuisden mee. De nieuwe partner van mijn moeder hield op zijn zachtst gezegd niet van katten. “De katten moeten het huis uit of ik schiet ze af met mijn jachtgeweer.” Ook toen was de keuze snel gemaakt.

We droegen de katten in een kartonnen doos naar een bebost stuk. Ze keken verdwaasd om zich heen, maar mijn moeder zei vol overtuiging: “Het is goed zo”. Ik wist wel beter. Die katten zouden het niet overleven zonder water en voer. Ik hoop dat voorbijgangers ze hebben opgevangen en alsnog een thuis hebben gegeven. Geen pleegkinderen maar pleegkatten.

Advertentie
De katten hadden het zwaar te verduren, maar wij ook. Mijn zus en mijn oudste broer besloten om bij mijn vader te wonen. Het was rustig in huis, even geen katten. In de kattenhemel was het vermoedelijk iets drukker. Totdat mijn moeder een advertentie in de krant zag: ‘Jonge katjes op te halen’. In haar manische bui mocht ik een kitten ophalen. Ik had inmiddels zo’n zwak voor katten opgebouwd, dat mij dit een uitstekend idee leek. Ik was nog klein en wilde bewijzen dat ik goed voor Mickey kon zorgen. Dat ging mij prima af. Ik verschoonde de kattenbak, gaf haar stiekem extra eten als er geen brokken waren en riep haar meteen als ik thuiskwam. Zij gaf mij aandacht en kopjes, kwam soms onverwachts naar me toe. Ik leerde haar liefde te geven door te knuffelen en te aaien. Helaas liep de thuissituatie uit de hand. Toen ik twaalf was, liep ik van huis weg en begon een pleegavontuur. Mickey moest ik achterlaten.

Ik herinner mij dat ik maanden later mijn broer in het gebouw van jeugdzorg zag. Hulpverleners hadden een ontmoeting tussen ons geregeld. Mijn broer begon binnen vijf minuten over Mickey. “Met Mickey is alles goed hoor”, zei hij vrolijk. Ik dacht: Gelukkig, met Mickey is alles goed.


Tags: , ,