Eerlijk duurt het langst

Pleegouders krijgen vroeg of laat haast allemaal te maken met stiekem gedrag van het pleegkind. Het heeft vele vormen, bijvoorbeeld stelen en liegen. Gelukkig neemt stiekem gedrag lang niet altijd ernstige vormen aan, maar steeds merken dat er dingen weg zijn, is toch behoorlijk vervelend.

Carmen is 12 jaar en woont vier jaar bij Hanna en Jan. Hanna merkt nogal eens dat er snoep weg is uit de kast. Carmen pakt niet een dropje, maar de hele zak. Als Hanna de kamer van Carmen opruimt, vindt ze lege wikkels van chocola en weggestopte lege snoepzakjes. Hanna heeft laatst één keer gemerkt dat Carmen geld heeft weggenomen. Ze weet niet of het meisje dat vaker doet, want ze telt niet steeds het geld in haar portemonnee. Op de kamer van Carmen vond ze ingepakte stiften en vreemde snoepzakken. Ze wil niet alles achter slot en grendel stoppen en ze vindt dat in haar huis haar tas gewoon in de kamer moet kunnen staan.

Stelen
Waarom vertonen veel pleegkinderen stiekem gedrag? Martine Delfos schrijft in Pleegkinderen en vreemd gedrag(1) over de pleegangst: ‘In de pleegangst zit ook de angst weer weg te moeten uit het pleeggezin en de periode waarin pleegkinderen hun pleegouders onbewust testen, gaat vaak met een aantal gedragingen gepaard. Een daarvan is stelen. Het is niet het stelen van de criminele jongere die een inbraak doet, maar het lijkt meer op kleptomanie, de onbedwingbare behoefte iets te stelen. Het zijn vaak kleine dingen die gestolen worden, in huis en van de andere (eigen) kinderen of in winkels: een pen of een zonnebril.’

Hanna vindt het vreemd dat Carmen de lege wikkels en snoepzakjes niet definitief verwijdert. Ze weet dat haar pleegmoeder ze zal vinden. Sanne Campfens, behandelcoördinator bij Juzt, de pleegzorgorganisatie in Breda, denkt dat kinderen sporen achterlaten van wat ze weggepakt hebben, omdat ze daarmee kunnen testen of ze wel of geen afwijzing krijgen op het moment dat ze betrapt worden. Dit proces hoeft niet altijd bewust te gaan. Pleegkinderen leven vaak ook met veel onzekerheid: over hun ouders en over de toekomst. Over hun plaats in het pleeggezin: mag ik het hier wel naar mijn zin hebben?’ Ze willen er graag zeker van zijn dat ze hun woonplek en opvoeders mogen behouden. De mate waarin een kind beschikt over de vaardigheid ‘als-dan-denken’ (als de wikkel onder mijn bed belandt, dan vindt mijn pleegmoeder hem), bepaalt ook in hoeverre deze kinderen in staat zijn te zien wat hun actie teweegbrengt. Voor sommige kinderen is de wikkel gewoon echt weg, als hij uit hun zicht is. Ook oudere kinderen bezitten deze vaardigheid soms nog niet, mede door hun voor­geschiedenis.

Zelfvertrouwen
Hanna vertelt: “Ze wordt ouder en je merkt dat het stiekeme gedrag ook op andere gebieden gaat spelen. De afspraak is dat ze alleen met bekenden op internet contact zoekt. Laatst bleek ze met wildvreemden contact te hebben.” De pleegzorgwerker van het gezin van Hanna en Jan, Mariëlle Bijker, beaamt dit. “Ze gaat meer over de dingen nadenken en het beste wat je als pleegouders kunt doen, is haar onder­steunen om meer zelfvertrouwen te krijgen. Haar zelf­vertrouwen is al veel steviger geworden door de stabiliteit in het pleeggezin. Carmen heeft thuis een slechte start gehad en de plotselinge uithuisplaatsing heeft het trauma nog groter gemaakt. Dat heeft haar basisveiligheid en vertrouwen in volwassenen enorm geschaad. Gezien haar leeftijd zou je al veel meer van haar mogen verwachten, maar door alles wat ze heeft meegemaakt, is het niet verwonderlijk dat ze geen leeftijdsadequaat gedrag vertoont. Ze mist nog stukken uit de eerste bouwstenen van een veilige hechting.

Hanna en pleegzorgwerker Mariëlle volgen beiden de cursus ‘Zorg voor getraumatiseerde kinderen’ die Kompaan en De Bocht, de pleegzorgorganisatie uit Tilburg, voor pleegouders en pleegzorgwerkers geeft. De cursus is gebaseerd op de stabilisatiemethode van Arianne Struik. Hanna en Mariëlle vertellen dat ze daar geleerd hebben dat er tegenover één corrigerende opmerking vijf dingen tegen het kind gezegd moeten worden, die goed gaan. Daarmee bouw je zelfvertrouwen op.

Morele ontwikkeling
Carmen reageert ontkennend als Hanna of Jan haar confronteren met iets dat ze heeft weggenomen. Ze proberen niet boos te worden en zeggen duidelijk dat ze het heel naar vinden. Carmen kijkt dan als een puppy dat in de kamer heeft geplast. In het boek Mensenkinderen van Steven Pont (2) is te lezen dat de eerste fase van de morele ontwikkeling die van straf en gehoorzaamheid is.

Het kind weet dat sommige dingen goed zijn en andere fout, simpelweg omdat het ‘goede’ door de omgeving wordt beloond en het ‘foute’ bestraft. Een kind dat wordt bestraft voor het aan de haren trekken van een ander kind, zal dat in het vervolg dus niet laten omdat het de ander geen pijn wil doen, maar gewoon omdat het geen zin in straf heeft. Sanne: “Het is niet ondenkbaar dat een pleegkind dat tijdens de eerste jaren van zijn leven in de knel heeft gezeten, een stukje morele ontwikkeling gemist heeft.”

Waarheid en leugen
Alle opvoeders krijgen te maken met liegen en jokken. Heel jonge kinderen kennen nog niet het onderscheid tussen waarheid en fantasie en zien niet het verband tussen oorzaak en gevolg. Sanne vertelt dat pleegkinderen soms hun eigen waarheid fantaseren om hun situatie op die manier aan te kunnen. Ze willen zich soms ook beter voordoen om geaccepteerd te worden. Voor pleegkinderen is het verschil tussen waarheid en leugen soms ook vervaagd doordat er al vaak tegen hen gelogen is.

Geweten
De gewetensontwikkeling begint voor kinderen die in normale omstandigheden opgroeien ongeveer op de leeftijd van 2,5 jaar. De regel die het kind kent, is dan nog gekoppeld aan degene van wie hij de regel geleerd heeft. Als diegene niet aanwezig is, geldt de regel niet. Dan mag je wel dat koekje pakken. Een jaar later pakt de peuter het koekje, maar zegt tegen zijn moeder dat de hond het koekje heeft opgegeten. Dat is nog geen liegen. Het kind zoekt een verklaring, maar ‘kan het niet aan’ dat het zelf onderdeel is van het probleem. Een kleuter van 4 jaar kan zijn gedrag aan de regel aanpassen. Kleuters denken nog wel zwart-wit: de regel geldt altijd en voor iedereen. Pas vanaf het zevende jaar krijgt het kind gevoel voor afwegen van omstandigheden en motieven.

Eerlijk duurt het langst: ook op dit opvoedingsgebied hebben pleegouders een lange adem nodig!

(1) (Pleeg)kinderen en vreemd gedrag onder redactie van M.F. Delfos en N. Visscher.

(2) Mensenkinderen! De zeventien belangrijkste ontwikkelingsgebieden van kinderen tussen nul en vier jaar. Steven Pont.

 

 


Tags: ,