Met en zonder elkaar

Broertjes en zusjes die uithuisgeplaatst worden, komen regelmatig in hetzelfde pleeggezin terecht (koppelplaatsing), maar ook in verschillende gezinnen. Soms lukt het wel om onderling contact te onderhouden en soms helemaal niet. Mobiel dook in Amerikaanse en Nederlandse onderzoeksliteratuur en vroeg via het Landelijk Pleegzorg Panel naar de ervaringen van betrokkenen. De meeste respondenten waren pleegouders. Van de 313 verzonden vragenlijsten zijn er 69 teruggekomen. De antwoorden geven een mooi inzicht in gerezen problemen en suggesties voor oplossingen.

Wat zijn broertjes en zusjes? Deze vraag lijkt een open deur, maar binnen pleegzorg zijn veel varianten: kinderen met dezelfde vader en moeder, alleen dezelfde (stief)vader, alleen dezelfde (stief)moeder. Ook kinderen met dezelfde moeder (en soms dezelfde vader), die elkaar nooit gezien hebben, doordat het oudste kind al uithuisgeplaatst was voor het jongste kind geboren was. In onderzoeksliteratuur is het onderscheid belangrijk. Voor dit artikel valt alles in principe onder broertjes en zusjes.

SAMEN PLAATSEN

Het pleeggezin
Een pleeggezin dat twee of meer kinderen uit hetzelfde gezin in huis krijgt, moet stevig in elkaar zitten. Het gezin moet de ruimte hebben om de kinderen een eigen plekje te geven, zowel fysiek, financieel, als emotioneel. De andere kinderen in het gezin moeten ermee kunnen omgaan en er moet voldoende ondersteuning zijn, zowel formeel als informeel.

Voorkeur
In Amerika geven de meeste richtlijnen voor maatschappelijk werkers aan dat het de voorkeur heeft om kinderen uit één gezin samen te plaatsen in één pleeggezin. Volgens Frits Boer NOOT1 geven ook in Nederland de meeste pleegzorgorganisaties hier de voorkeur aan.

De conclusie van vergelijkend onderzoek van K. Washington NOOT2 is dat de meeste kinderen er aanzienlijk van profiteren als ze samen met hun broertjes en zusjes geplaatst worden in een pleeggezin. Ze ontwikkelen harmonieuzere relaties met broertjes en zusjes, hebben minder emotionele en gedragsproblemen in de eerste vier levensjaren en de geestelijke gezondheid en socialisatie van vooral meisjes is groter. Alleen als er dringende redenen zijn om kinderen te scheiden, moet je hen niet samen plaatsen.

Frits Boer noemt als belangrijke factoren bij het al dan niet samen plaatsen van kinderen: een goede onderlinge band van de kinderen, de mate van gedragsproblemen bij een of beide kinderen en de invloed van de ouders op de plaatsing.

Voor- en nadelen
Leden van het Landelijk Pleegzorg Panel noemen vooral de onderlinge veiligheid en steun van elkaar als reden om de kinderen samen te plaatsen. Door de koppelplaatsing blijft een deel van het oorspronkelijke systeem (en de bloedband) intact. Verder is het voor de ouders gemakkelijker om de kinderen in één gezin te bezoeken en voor de pleegzorgwerkers om het pleeggezin te begeleiden.

Panelleden noemen als nadelen van een koppelplaatsing dat de kinderen patronen van thuis meebrengen die soms moeilijk te doorbreken zijn, dat de kinderen niet als individu worden gezien maar als koppel en dat ze lastiger hechten en onderdeel van het pleeggezin worden, doordat ze elkaar hebben. Onderlinge jaloezie speelt een belemmerende rol en het is ook lastig als een of beide kinderen forse handicaps of gedragsproblemen hebben.

NIET SAMEN PLAATSEN

Het belang van het kind
Frits Boer benoemt een aantal van de eerder genoemde nadelen als argumenten uit onderzoek om kinderen niet samen te plaatsen in hetzelfde pleeggezin. Het samen plaatsen van kinderen in een pleeggezin is lastiger dan ieder kind apart, omdat de integratie in het gezin moeilijker verloopt. Dit kan onder andere komen doordat de onderlinge band tussen de kinderen te sterk is of doordat de familie van de kinderen veel druk uitoefent. Dit kan problemen in het pleeggezin veroorzaken. In praktische zin kan het een nadeel zijn, omdat het veel langer kan duren voor een geschikt gezin is gevonden.

Het is ook niet altijd in het belang van het kind om samen met een broertje of zusje geplaatst te worden. Een slechte onderlinge band van de kinderen, individuele behoeften van een of meer kinderen, die een te groot beroep op de pleegouders doen, of niet gewenste rolpatronen uit het gezin van oorsprong, zijn redenen om kinderen apart te plaatsen. Als het niet lukt om kinderen samen te plaatsen, wordt vaak geprobeerd om twee pleeggezinnen te vinden die in dezelfde buurt wonen, zodat de kinderen elkaar regelmatig kunnen zien.

Contact
Een meerderheid van de panelleden heeft te maken gehad met een pleegkind dat elders een of meerdere broertjes of zusjes had; meestal in een pleeggezin, maar ook residentieel. Vrijwel unaniem geven ze aan dat het belangrijk is om contact in stand te houden tussen de kinderen. De kinderen moeten weten dat er goed gezorgd wordt voor het broertje of zusje en ze missen elkaar vaak. Ook is het noodzakelijk om op de hoogte te blijven van elkaars ontwikkelingen, omdat ze anders ver uit elkaar groeien. Pleegouders geven regelmatig aan dat dit proces niet of nauwelijks begeleid wordt door professionals en dat het erg afhankelijk is van de inzet van de pleegouders. Men vindt het wenselijk dat alle kinderen van één gezin dezelfde voogd hebben. Het kan voorkomen dat de individuele kinderen tijdelijk niet gebaat zijn bij familiecontact, maar dan is het aan pleegouders en voogden om zelf op de hoogte te blijven, zodat ze op een later moment het kind weer kunnen informeren.

Een aantal panelleden noemt nog een belang: als de kinderen groot zijn en alle hulpverlening is gestopt, hebben ze in elk geval broers of zussen om op terug te vallen. Ze hoeven dan tenminste niet naar de televisie om hun familie op te sporen.

LATER SAMEN PLAATSEN

Bijplaatsing
Een klein deel van de panelleden heeft te maken gehad met een latere bijplaatsing van een broertje of zusje van hun pleegkind. Als redenen werden genoemd: de kinderen misten elkaar erg, de pleegouders van het andere pleeggezin konden het niet aan of stopten, de moeder werd opnieuw zwanger en de ouders of de pleegouders drongen erop aan om het nieuwe kindje ook in dit pleeggezin te plaatsen.

Het lijkt voor voogden en pleegzorgwerkers niet steeds vanzelfsprekend om dit ook te vragen aan de pleegouders. Als het wel gevraagd wordt, verloopt het ook niet altijd zoals verwacht: “We zijn gepolst door de pleegzorgwerker toen de moeder weer zwanger bleek te zijn. We hebben erover gedacht en ‘ja’ gezegd en vervolgens horen we al een jaar niets. We weten dat het jongetje in een ander pleeggezin woont, maar waarom weten we niet en de kinderen hebben ook geen contact. Dat is toch slordig.”

Niet tegelijk
Frits Boer noemt nog andere redenen om kinderen niet tegelijk te plaatsen: het ene kind was klaar voor de plaatsing en het andere niet. Het kind dat het eerst geplaatst werd, kreeg tijd om zijn plaats in het gezin te stabiliseren. Verder kunnen een verschillende noodzaak om uithuisgeplaatst te worden of een tijdelijk gebrek aan plaats in het pleeggezin een reden zijn.

NA SAMEN PLAATSEN ALSNOG ALLEEN

Leeftijdsverschil
Bij onderzoek van Frits Boer naar het voortijdig afbreken van plaatsingen van broertjes en zusjes in hetzelfde gezin, bleek het onderling leeftijdsverschil van kinderen bij wie de plaatsing werd afgebroken kleiner (1 jaar en 3 maanden), dan bij degenen bij wie het goed bleef gaan (2 jaar en 6 maanden). De tijd, die tussen de plaatsing van de kinderen zit, zou minimaal twee maanden moeten zijn om de kans op vroegtijdig afbreken te verkleinen, stelt hij. Een relatief hoge betrokkenheid van de biologische ouders vergrootte ook de kans op vervroegde afbreking van de plaatsing.

Belemmeringen
Niet alle koppelplaatsingen gaan goed. Het komt nogal eens voor dat de problematiek van een van de kinderen te heftig is voor het pleeggezin of dat de kinderen elkaar in hun ontwikkeling belemmeren. Ook als de kinderen te sterk op elkaar betrokken zijn en het niet lukt om hen beiden veilig te laten hechten in het gezin, is dit een reden om in te grijpen. Alle panelleden die meldden dat een van de kinderen alsnog ergens anders ging wonen, gaven aan dat het contact tussen de kinderen bleef bestaan.

NOOT1 Frits Boer and Stella M. Spiering: Sibling in Fostercare: Succes and Failure, 1991 Human Sciences Press, inc.

NOOT2 K. Washington: Research Review: Sibling placement in foster care: a review of de evidence, 2007, Blackwell Publishing Ltd.

Adviezen
De panelleden hebben de volgende adviezen voor pleegzorgorganisaties en plaatsende instanties:
– Laat de kinderen altijd samen opgroeien, indien mogelijk.
– Als ze niet samen in een gezin kunnen wonen, probeer hen dan wel in dezelfde woonplaats te krijgen, zodat dezelfde school, clubs en sociale contacten gemakkelijker zijn.
– Kijk goed naar de individuele behoeften van ieder kind. Hebben ze er beiden profijt van om samen geplaatst te worden?
– Houd niet te vast aan richtlijnen, maar bied maatwerk.
– Ondersteun vooral in het begin het pleeggezin met de koppelplaatsing, ook in praktische zin.
– Durf als pleegzorgorganisatie brutaler te zijn: benader pleegouders over een eventuele bijplaatsing of koppelplaatsing ook als ze dat niet als mogelijkheid hebben aangegeven.

Landelijk Pleegzorg Panel
Het Landelijk Pleegzorg Panel bestaat uit (ervarings)deskundigen uit alle geledingen binnen pleegzorg. Enkele malen per jaar wordt aan panelleden hun mening gevraagd over een bepaald thema. De uitkomsten worden gebruikt voor verdieping binnen de pleegzorgpraktijk. Het panel is geheel afhankelijk van giften en donaties. Het biedt de unieke mogelijkheid om kennis en ervaring uit te wisselen tussen alle betrokken doelgroepen en daarmee bij te dragen aan meer onderling begrip. Wilt u deelnemen of doneren aan het panel?

www.pleegzorgpanel.nl

 


Tags: , ,