Kinderbeschermingsmaatregel

Op 1 januari is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Hiermee staat het belang van het kind meer centraal. De belangrijkste veranderingen voor pleegzorg zijn:

Ondertoezichtstelling
– Geschillen over de uitvoering van de ondertoezichtstelling kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd.
– Gedeeltelijke overdracht van het ouderlijk gezag in het kader van de uithuisplaatsing is mogelijk.
– Wijziging van de verblijfplaats van het (pleeg)kind dat een jaar of langer in een (pleeg)gezin woont, moet vooraf worden getoetst door de   kinderrechter.

Beëindiging ouderlijk gezag (voogdij)
– Grond voor het beëindigen van het ouderlijk gezag is ingrijpend gewijzigd.
– Als de Raad voor de Kinder­bescherming weigert een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag in te dienen en de gecertificeerde instelling (veelal de rechtsopvolger van Bureau Jeugdzorg) is het hiermee niet eens, moet de Raad voor de Kinderbescherming de rechter om een oordeel vragen. Ook pleegouders kunnen onder be­paalde voorwaarden om beëindiging van het ouderlijk gezag verzoeken.

Geschillen
De ouder met gezag, de minderjarige van 12 jaar en ouder, de gecertificeerde instelling, de pleegouder en de pleegzorgaanbieder kunnen geschil­len over de uitvoering van de ondertoezichtstelling voorleggen aan de kinderrechter. Een geschil kan bijvoorbeeld gaan over de omgangsregeling van het (pleeg)kind met de ouder(s) die door de gecertificeerde instelling is vastgesteld. De pleegouders en de zorgaanbieder pleegzorg kunnen dus ook, via een advocaat, een geschil voorleggen.

Beperking ouderlijk gezag
Het ouderlijk gezag kan in geval van een uithuisplaatsing verder worden beperkt met betrekking tot: inschrijving onderwijs, medische behandeling en aanvraag verblijfvergunning. De gecertificeerde in­stelling kan de kinderrechter verzoeken om beperking van het ouderlijk gezag ten aanzien van deze onderwerpen wanneer de ouder met gezag zijn medewerking weigert.

Wijziging verblijfsplaats
Wanneer de gecertificeerde instelling de verblijfplaats van het (pleeg)kind dat een jaar of langer in een gezin verblijft, wil wijzigen, moet deze vooraf toestemming verzoeken aan de kinderrechter. Dit betekent dat pleegouders hun bezwaren kenbaar kunnen maken, wanneer zij het niet eens zijn met beëindiging van de plaatsing. De kinderrechter beslist uiteindelijk of het kind overgeplaatst mag worden. Als alle partijen het eens zijn over de beëindiging, zal naar verwachting geen zitting nodig zijn.

Gezagsbeëindigende maatregel
Er is één gezagsbeëindigende maatregel (dus geen ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag meer). Het gezag van de ouders kan worden beëindigd als sprake is van ernstige bedreiging in de ontwikkeling en als de ouder niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Of er is sprake van misbruik van het gezag door de ouder, naast een ernstig bedreigde ontwikkeling.

Verzoek tot gezagsbeëindiging
De Raad voor de Kinder­bescher­ming heeft geen ‘monopoliepositie’ meer als het gaat om verzoeken tot gezags­beëindiging. Als zij geen verzoek tot gezags­beëindiging wil in­dienen en de gecertificeerde instelling is het hier niet mee eens, moet de Raad de kinderrechter om een oordeel vragen. Pleegouders kunnen ook om beëindiging van het ouderlijk gezag verzoeken aan de rechter. Voorwaarde is dat pleegouders een jaar of langer voor het pleegkind hebben gezorgd.


Tags: ,