Ik ben Maria

Ik ben geboren als de dochter van Hanna en Bert, zusje van Gerard. Op de basisschool werd ik door de meesters vaak ‘die van Kaspers’ genoemd, wat me een onbehaaglijk gevoel gaf, alsof ik voelde dat ik minder was dan de rest.

In de brugklas, tijdens levensbeschouwing, vroeg de docente eens aan de klas welk geloof we aanhingen. De een was katholiek, de ander protestants en ik flapte er spontaan uit: “Ik ben niks.” De docente was hierdoor duidelijk aangedaan. Zij drukte mij op het hart dat iedereen ‘iets’ is en dat ik dit niet mocht denken. Later heb ik nog vaak aan deze situatie gedacht; wat had deze vrouw de kern te pakken.

Ik was thuis de dochter van mijn vader; wij trokken erg naar elkaar. Ik hoorde altijd van anderen dat ik op mijn moeder leek, wat ik vreselijk vond. Mijn moeder was depressief van aard, huilde veel, kon dagen in stilzwijgen vervallen en had grote wallen onder haar ogen. Daar wilde ik niet op lijken.

Rond mijn twaalfde jaar besloten mijn ouders te scheiden. Ik voelde mij verantwoordelijk en schuldig voor het verdriet van mijn moeder en raakte rond mijn veertiende zelf ernstig depressief. Mijn ontwikkeling viel vrijwel helemaal stil: ik was er puur op gericht om te kunnen invullen wat een ander van mij verwachtte, werd sociaal angstig en ontwikkelde faalangst. Daar kwam een eetstoornis bovenop. Eerst anorexia, later ook boulimia nervosa.

De tijd waarin ik bij mijn vader woonde, bracht niet veel beters. Tijdens mijn opnames in psychiatrische instellingen werd hij gediagnosticeerd met progressieve kanker. Op een gegeven moment zaten we allebei aan de sondevoeding. Het feit dat ik mijn leven actief stuk maakte terwijl mijn vader vocht voor zijn -en mijn- leven, leverde mij opnieuw enorme schuldgevoelens op. Ik was niet ‘niks’, maar slechter dan dat.

Een halfjaar voor zijn overlijden kwam ik in een groot pleeggezin terecht. Mijn pleegmoeder was een zeer (daad)krachtige vrouw die hield van structuur en regelmaat. “We hebben allemaal wel een probleem”, was haar motto. In stilte leefde mijn boulimia voort. Vanuit het pleeggezin lukte het me echter wel mijn school weer op te pakken, iets wat ik allang niet meer voor mogelijk had gehouden. Ook mocht ik er zorgen voor de vele dieren, wat ik heerlijk vond.

Toen ik na het vwo op kamers ging om te studeren, bleef ik elk weekend naar het pleeggezin gaan. Ik was erg betrokken bij het reilen en zeilen van het gezin. Zowel mijn pleegmoeder als ik zagen mij hierin in de nabije toekomst dan ook een belangrijke rol vervullen. Ik voelde mij daarom belangrijk en gezien. Toen ik tijdens mijn studie zeer ernstig slapeloos werd en uiteindelijk depressief en suïcidaal, verslechterde het contact tussen ons; onze levens konden niet meer samen door één deur. Met het verlies van het contact met mijn pleegmoeder verloor ik tegelijk mijn laatste beetje gevoel van bestaansrecht. Het bewijs dat ik niet deugde was opnieuw geleverd.

Tijdens mijn jarenlange traject van therapieën heb ik mij losgemaakt van mijn pleegmoeder, heb ik voorzichtig het contact met mijn moeder hervonden en heb ik mijzelf een heleboel dingen vergeven. Therapie is de mooiste leerschool die ik ooit heb mogen ervaren. Inmiddels kan ik mij een enthousiaste maatschappelijk werker in wording noemen, een vrouw met een eigen mening en met een goed stel vrienden die mij laten zijn zoals ik wil zijn. Ik ben Maria.
Maria


Tags: , ,