Identiteit, wat is dat?

Auteur: Kirsten Aarse

Vaderdag en Moederdag zijn vaak moeilijk voor pleegkinderen. Op sommige scholen mogen ze slechts één cadeau maken en moeten ze dus kiezen voor hun biologische of pleegouders. Dit soort keuzes kunnen impact hebben op identiteitsontwikkeling. Veel middelbare scholen behandelen in de eerste klas het thema ‘Wie ben jij?’, waarbij kinderen bijvoorbeeld een stamboom moeten tekenen. Ook dit kan confronterend en verwarrend zijn.

Iedereen heeft een identiteit, of hij nou wil of niet. Van Dale beschrijft identiteit als ‘een eigen karakter’. Een ander woord is ook wel ‘eigenheid’. Je kunt een identiteit opgelegd krijgen of er zelf een proberen te vormen. In elk geval is het vormen van een identiteit een proces dat ieder mens doormaakt. Voor de een is het gemakkelijker om een identiteit te ontwikkelen dan voor de ander. Bij pleegkinderen kan dit proces moeizaam gaan.

Wie ben ik?
In hoeverre kunnen we zelf bepalen wie we zijn en dus bijdragen aan onze identiteitsontwikkeling? Sommige theorieën stellen dat identiteitsontwikkeling al vroeg in een mensenleven begint. Andere theorieën gaan ervan uit dat er pas vanaf de adolescentie een duidelijke identiteitsontwikkeling plaatsvindt. Jongeren komen voor veel keuzes te staan: bijvoorbeeld de keuze voor een middelbare school, een profiel, een vervolgopleiding.

Een bekende theorie over identiteitsontwikkeling is van Erik Erikson NOOT1. Hij zegt dat de mens zich ontwikkelt in acht fasen. In iedere fase loopt de mens tegen een dilemma aan dat opgelost moet worden. In de zesde levensfase, die loopt van veertien jaar tot midden twintig, gaat het om de balans tussen identiteit en rolverwarring. In het kort gezegd: wie ben ik?

Zoektocht
De zoektocht naar identiteit kan verschillende uitkomsten hebben. Als iemand blijft twijfelen over wie hij is, is er sprake van ‘rolverwarring’. Iemand kan ook te snel een identiteit aannemen, en keuzes over het hoofd zien. Daarnaast kan iemand door sociale druk een identiteit aannemen waar hij zelf niet achter staat. Denk bijvoorbeeld aan iemand die homoseksueel is, maar zichzelf voordoet als hetero, omdat dit meer geaccepteerd wordt. Als laatste kan iemand een negatieve identiteit aannemen, met eigenschappen die over het algemeen niet gewaardeerd worden, bijvoorbeeld relschoppers in een voetbalstadion.

Identiteitsontwikkeling kan door pleegkinderen als moeilijker ervaren worden dan door andere kinderen. Eigenlijk hebben pleegkinderen een extra ontwikkelingstaak: het accepteren dat je niet bij je eigen ouders opgroeit en daarmee leren omgaan. Hierdoor kan hun identiteitsontwikkeling op de tweede plaats komen en maken ze misschien een overhaaste keuze of twijfelen ze lang.

Tussen adolescentie en volwassenheid
Tegenwoordig weten we dat identiteit vooral gevormd wordt in een fase tussen adolescentie en volwassenheid. Deze tussenfase heet ‘emerging adulthood’NOOT2. Dit is de periode dat iemand voor de wet volwassen is, maar op emotioneel en financieel vlak nog niet geheel zelfstandig is. In de periode dat een adolescent studeert, dragen ouders vaak nog bij aan de studiekosten. Ook zijn ze op emotioneel vlak nog beschikbaar voor vragen.

In de fase van ‘emerging adulthood’ ontdekken adolescenten wat bij hen past en wat niet. De vragen die hierbij centraal staan zijn: ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat wil ik?’ Het is belangrijk dat adolescenten met iemand over levenskeuzes kunnen praten, omdat ze anders misschien verkeerde of overhaaste keuzes maken. Voor pleegkinderen kan dit lastig zijn, omdat zij niet altijd bij iemand terecht kunnen met hun identiteitsvragen. Pleegzorg stopt op hun achttiende verjaardag en daarna moeten zij het in principe zelf uitzoeken. Er zijn maar weinig jongeren die op hun 18e hun identiteitsvragen beantwoord hebben, zoals wat voor beroep ze later willen uitoefenen of wat zij verwachten van een relatie. Als niemand hun keuzes bevestigt of afwijst, is het lastiger om tot een goede beslissing te komen. Een oplossing hiervoor kan zijn om pleegzorg te verlengen tot 21 jaar.

Vergelijking met ouders
Een deel van de identiteitvorming komt voort uit de thuissituatie. Als er een duidelijk beeld is van ‘thuis’, verloopt de zoektocht naar identiteit sneller. Voor pleegkinderen is de thuissituatie minder stabiel dan voor andere kinderen. Daarom kan het vormen van een identiteit moeilijker zijn. Pleegkinderen hebben meerdere thuissituaties meegemaakt. Het kan dan lastig zijn om een keuze te maken van wie zij gedragingen willen overnemen. Wil ik zo zijn als mijn biologische moeder of als mijn pleegmoeder? Of wil ik absoluut niet zo zijn als mijn ouders?

Een ander deel van identiteitsvorming komt voort uit het uiterlijk. Dat is vaak ingewikkeld voor adoptiekinderen, omdat zij hun ouders meestal niet kennen. Pleegkinderen zien hun ouders vaak wel, maar ze kunnen zich niet goed met hen vergelijken, omdat ze hen niet altijd goed kennen. Hierdoor ontstaan vragen als: ‘Van wie heb ik mijn talent om piano te spelen?’ of ‘Van wie heb ik mijn mooie krullen?’

Wat kan een pleegouder doen?
Pleegouders kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de identiteit van het pleegkind. Het is belangrijk om binnen het pleeggezin te praten over wie het pleegkind is. Stel vragen over identiteit. ‘Wie ben jij?’ en ‘Ben jij wie je wilt zijn of wie zou je willen worden?’ Het invullen van een levensboek kan hierbij helpen. Een levensboek geeft een pleegkind inzicht in wie hij is, waar hij vandaan komt en wie zijn familie is. Het is daarbij belangrijk dat de biologische ouders gezien worden als mensen die het beste voor hebben met hun kind en dat zij niet neergezet worden als ‘slechte’ mensen.

Identiteit op school
Scholen hebben er vaak weinig weet van hoe ingewikkeld identiteitsontwikkeling voor pleegkinderen kan zijn. Om misverstanden tegen te gaan, is het contact met school over opdrachten als het maken van een stamboom of genogram heel belangrijk. Op deze manier kan de school er op bepaalde momenten rekening mee houden dat een opdracht niet zo gemakkelijk is voor een pleegkind. De school moet alleen wel oppassen dat het kind geen uitzonderingspositie krijgt.

Pleegkinderen hebben een zwaardere opgave in het ontwikkelen van een identiteit en het is belangrijk dat pleegouders zich hiervan bewust zijn en erover in gesprek gaan met het pleegkind en de school.

NOOT1 Erikson, E. H. (2011). Het Kind en de Samenleving. Houten: Het Spectrum.

NOOT2 Berzin, S. C., Singer, E., & Hokanson, K. (2014). Emerging Versus Emancipating: The Transition to Adulthood for Youth in Foster Care. Journal of Adolescent Research. 29, 5, 616 – 638.

Kirsten Aarse is student Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Leiden. Ze heeft dit artikel geschreven in het kader van een stageopdracht voor de master Gezinspedagogiek.