Pleegzorg na de transitie

En nu gaan we het doen

Aan de vooravond van de Transitie Jeugdzorg vroeg Mobiel aan Renske de Boer wat er in 2015 wettelijk gaat veranderen en wat dit betekent voor pleegzorg. De Boer is programmaleider en docent van de Masteropleiding Jeugdzorg aan de Hogeschool Leiden.

Vanaf 2015 wordt de zorg voor de jeugd helemaal ondergebracht bij de gemeenten. De Transitie Jeugdzorg is een van de wijzigingen die plaatsvinden in het sociale domein. Niet alleen de jeugdzorg wordt gedecentraliseerd, er vinden ook decentralisaties plaats op grond van andere wetten: de Jeugdwet, de Wet Passend Onderwijs, de Participatiewet, de overgang van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) naar de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) en de Wet langdurige zorg.

Wat is de bedoeling van de wetsveranderingen?

“De Jeugdwet wil er voor zorgen dat mensen meer gebruik maken van de eigen kracht van het gezin en het eigen netwerk. Medicalisering moet worden tegengegaan. Mensen kunnen beschikken over snellere, lichtere, laagdrempelige zorg, zodat verderop in het traject minder zware zorg nodig is. De decentralisatie van de jeugdzorg moet leiden tot minder versnippering van de hulpverlening. Er wordt gewerkt vanuit het principe ‘één gezin, één plan’ en er moet meer ruimte voor maatwerk komen. Ook een bezuiniging van drie procent op de kosten is een doel. In de praktijk blijkt overigens dat die bezuinigingen op sommige plaatsen nu al tot dertig procent begroot worden. De uitgangspunten van de wet zijn mooi, maar ik ben wel bezorgd over het tempo en de uitvoering van de decentralisatie en de onzekerheid die dit voor een kwetsbare groep kinderen en ouders met zich meebrengt.”

Gemeenten organiseren de jeugdhulp straks wijkgericht en laagdrempelig in sociale wijkteams. Kunnen ouders hier zo naar toe of moet het toch via de huisarts of een hulpverlener?

“De Jeugdwet is een kaderwet. De wet geeft de kaders aan en de gemeenten zijn vrij om die in te vullen. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Vermoedelijk ontstaat er een soort inloopmogelijkheid waar ouders met vragen terecht kunnen. Ook kortdurende opvoedcursussen zullen meestal vrij toegankelijk zijn. Voor zwaardere zorg moeten ze een beschikking krijgen. Vroeger heette dat een indicatie. De wet zegt dat een individuele voorziening moet worden getroffen, waar nodig. In sommige gemeenten gebeurt dit door de wijkteams, maar de gemeente kan er ook voor kiezen om dit anders te regelen, bijvoorbeeld via een gemeentelijk loket. De weg via de huisarts is er ook nog. Als de huisarts vindt dat er hulp nodig is, is dat een rechtstreekse toegang tot de niet vrij toegankelijke zorg.

Als het wijkteam vindt dat mogelijk een ondertoezichtstelling of een uithuisplaatsing nodig is, wordt de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd een onderzoek te doen en de kinderrechter beslist. Dat verandert niet.”

Hoe zien die wijkteams er uit qua personele bezetting?

“Dat is per gemeente verschillend. De wet zegt dat het onder verantwoordelijkheid van gekwalificeerde jeugdzorgwerkers moet worden uitgevoerd, dat wil zeggen medewerkers met een hogere of wetenschappelijke opleiding op het gebied van jeugd. Het zijn bijvoorbeeld (oud)-medewerkers van jeugdhulpinstellingen of van het voormalige Bureau Jeugdzorg. Personeel kan ook door bijvoorbeeld MEE of de GGD gedetacheerd worden naar de wijkteams of het kunnen orthopedagogen of psychiaters op afroep zijn. In sommige gemeenten stuurt een teamleider van de gemeente het wijkteam aan.”

Kunnen pleegouders ook een beroep doen op het wijkteam als ze extra ondersteuning nodig hebben? Geldt ‘één gezin, één plan’ ook voor pleeggezinnen?

“Dat is nog niet duidelijk. Voor de betaling van hulp geldt het woonplaatsbeginsel. De gemeente waar de ouder met het ouderlijk gezag woont, is verantwoordelijk voor de betaling van de hulp voor het kind. Als er geen ouder met gezag meer is, geldt de gemeente waar het kind verblijft als verantwoordelijk voor de betaling. Het wordt echt de vraag of een huisarts voor een pleegkind, wiens ouder met gezag in een andere gemeente woont, nog kan zeggen dat het kind therapie nodig heeft. Dat heeft namelijk consequenties voor de begroting van die gemeente. Ik hoop dat gemeenten daar onderling goede afspraken over maken.”

Leveren de nieuwe wetten verbeteringen op voor pleegouders en pleegkinderen?

“In de Jeugdwet staat zwart op wit dat als een kind uithuisgeplaatst wordt, plaatsing in een pleeggezin de voorkeur heeft, tenzij dat niet in het belang is van het kind.

Verder vind ik het lastig om nu al wat te zeggen over verbeteringen voor pleegouders en pleegkinderen. Ik hoop dat de mogelijkheid om meer maatwerk te bieden ook voor pleegkinderen positief effect heeft. Zij zijn wel opgeschoten met de wet Verbetering positie pleegouders die al eerder in werking is getreden en de herziening van de kinderbeschermingswetgeving, die per 1 januari 2015 ook van kracht wordt.”

 


Tags: ,