Grootouders zijn vaak goede pleegouders

Het fenomeen pleeggrootouderschap ver­dient aandacht. Grootouders kunnen in veel gevallen een prachtige oplossing bieden wanneer hun kleinkind niet meer bij de ouders kan wonen, blijkt uit een onderzoek onder pleeggrootouders. Pleeg­grootouders zijn goede opvoeders en maken echt een verschil.

In de afgelopen periode heb ik 35 lange gesprekken gevoerd met (willekeurig gekozen) pleeggrootouders bij wie kort voor het interview de plaatsing van een van hun kleinkinderen formeel was beëindigd. De grootouders hebben kinderen van 11 zonen (31 procent) en van 24 dochters (69 procent) opgevoed. Samen hebben ze 48 kleinkinderen opgevoed, 26 meisjes en 22 jongens. 12 kinderen verbleven bij een alleenstaande grootouder.

Waarom kunnen ouders het niet zelf?
De grootouders noemden samen 73 redenen waarom de ouders vastliepen in de zorg voor hun kind. In de meeste gevallen waren er meerdere oorzaken, vooral psychische of psychiatrische problemen, verslaving en een zeer moeilijk kind. Meer dan de helft van de ouders was alleenstaand of had geen stabiele relatie.

Vrij veel (13 van de 35) meisjes woonden thuis, raakten zwanger en bleven thuis wonen. Soms volgde de formele pleegzorgplaatsing pas na een jarenlang proces, waarin de toekomstige pleeggrootouders vooraf al zeer actief waren als ouders die hun dochter ondersteunden met de opvoeding van haar kindje. Een dochter die te jong, te labiel of zwakbegaafd was. Vaak waren ze bepaald niet verrast dat het hun dochter uiteindelijk niet lukte om voor haar kindje te zorgen. Ze wilden graag meewerken aan een poging van hun kind om het zelf te doen en sprongen pas in tweede instantie in als vervangende ouder. Dit vaak nog met de afspraak de opvoeding een paar jaar over te nemen en daarna te bezien of hun kleinkind alsnog naar de eigen moeder zou teruggaan.

Een even grote groep ouders (13 van de 35) had op enige afstand een relatie met de grootouders. Tijdens de puberteit van hun kinderen waren er zulke grote problemen dat ze hun kinderen zelf niet meer konden opvoeden. Soms gingen deze kleinkinderen naar hun grootouders als tijdelijke oplossing, waarna ze weer teruggingen naar hun ouders. Dit verliep een enkele keer naar tevredenheid, maar meestal slaagde een terugkeer niet meer.

Acceptatie van uithuisplaatsing
De meeste ouders accepteerden dat zij zelf hun kind niet mochten opvoeden. Soms ging het aanvankelijk erg slecht met de ouders en was het voor hen in eerste instantie een opluchting wanneer hun kindje op een veilige plek bij opa en oma kon opgroeien. Deze opvatting kon ook veranderen na verloop van tijd. Soms gingen ouders het kind erg missen. Ook gebeurde het dat een ouder zich ontwikkelde en in rustiger vaarwater terecht kwam. Deze ouder kon ook een stabiele partner vinden die ervoor zorgde dat het weer beter ging. Dit leidde soms tot aanpassing van de oorspronkelijke afspraken en terugkeer van het kleinkind.

Terug naar de ouders
Van de 48 kleinkinderen zijn er 16 teruggegaan naar hun ouders, in tien gevallen naar tevredenheid van de groot­ouders. In zes gevallen niet: soms ging het in de ogen van de ouder veel beter, in de ogen van de grootouder niet veel beter. Bij negen kinderen deden de ouders moeite om het kind weer terug te krijgen tegen alle afspraken in. Daarvan is in twee gevallen een kind meegenomen en weer terug­gebracht door de politie. In zeven gevallen is er enorm aan de kinderen getrokken door hun allerlei beloftes te doen.

Ergernissen over loze beloften, zonder grote gevolgen, werden veelvuldig genoemd: beloven op bezoek te komen en niet verschijnen, beloven het kleinkind op te komen halen voor een feestje en niet komen. Een nieuwe fiets beloven en deze niet geven. Grootouders zaten na dergelijke loze beloften met een ernstig teleurgesteld kind. Ze wilden echter de ouder van dit kind ook niet afvallen. Van de bovengenoemde negen kleinkinderen waarvan de ouders pogingen deden hen terug te krijgen, gingen er vier daadwerkelijk naar hun ouders en bleven daar.

Spanning voor pleeggrootouders
Veel pleeggrootouders zeiden dat ze regelmatig in spanning zaten, omdat hun kleinkind misschien terug moest naar de ouders, terwijl het daar nog niet pluis was. Deze spanning werd veroorzaakt door de ouders zelf, die van mening veranderd waren of omdat er een andere gezinsvoogd verscheen die vond dat een kind bij zijn ouders hoort te wonen of omdat de grootouders zelf iets overkwam, waardoor het leven er ineens anders uitzag.

Samenwerking met de hulpverlening
De helft van de pleeggrootouders was positief over de geboden hulpverlening. Ze waren blij met de steun en met een persoon aan wie ze hun verhaal kwijt konden. Er was ook kritiek. Verschillende pleeggrootouders waren beducht voor de neiging van gezinsvoogden om de banden met de ouders weer aan te halen. De grootouders waren juist vaak blij met de rust van een sobere bezoekregeling. Blij, omdat de status quo door de ouders enigszins geaccepteerd werd. Deze spanning speelde vaak bij pleeggrootouders, wellicht mede omdat het verloop onder gezinsvoogden groot is.

Daar waar de gezinsvoogden (te) vaak wilden werken aan herstel van de ouder-kindrelatie hadden ‘de’ pleegzorg­begeleiders hun eigen ‘dwanggedachte’, zoals een van de pleeggrootouders dit formuleerde. Het gaat om de in pleegzorg algemeen aanvaarde opvatting: ‘zonder harmonie tussen ouders en pleegouders is een plaatsing gedoemd te mislukken.’

Meerdere pleeggrootouders zeiden dat dit in zijn algemeenheid waar is, maar dat hun eigen kind echt niet te vertrouwen is. Ze hadden dat zelf maar al te vaak ervaren, met alle ellende van dien. Ze hebben daar veel verdriet over gehad en hebben dat nog steeds. Daarom hebben ze zich voorgenomen hun kleinkind te beschermen tegen deze ouder. Helaas moest daartoe het contact met deze ouder tot het minimum beperkt blijven. Pleeggrootouders stelden ook dat gezinsvoogden en pleegzorgbegeleider beter zouden moeten samenwerken.

Over de kinderen
De meeste plaatsingen zijn goed afgerond (33). Deze kinderen woonden na afloop van het onderzoek nog bij hun grootouders, zelfstandig of waren teruggegaan naar hun ouders. 14 kinderen zijn naar een pleeggezin of een instituut gegaan. De kinderen zijn gemiddeld vijf jaar en drie maanden als pleegkind bij de grootouders gebleven. Veel kinderen (20 van de 48) hadden te veel problemen voor een pleeggezin. Verreweg de meeste kinderen (42 van de 48) hadden een OTS.

Terugblik grootouders
Vrijwel alle pleeggrootouders zeiden dat ze hun kleinkind weer zouden opvangen, wanneer ze opnieuw gevraagd zouden worden. Dat ging veel verder dan de stelling van alle pleeggrootouders: “Je hebt geen keuze.” De meesten hebben ook genoten van het opvoeden van hun kleinkind: de kinderen brachten vrolijkheid, leven en dankbaarheid. <

Het hele onderzoek is te vinden op de website van Gezinspiratieplein. www.gezinspiratieplein.nl

Henk van Oosteren

 


Tags: ,