Een moeder als Mayra

In juni 2013 kreeg Mayra een dochter. Ze noemde haar Jomely. Het meisje werd na drie weken door de William Schrikker Groep (WSG) in een pleeggezin geplaatst. Als betrokkenen bij pleegzorg kennen we veel verhalen waarin er een moeizaam contact is tussen moeder en pleeg­moeder of tussen pleegkind en ouders. Voor Mayra en Jomely loopt het gelukkig anders.

“In het ziekenhuis vonden ze dat ik niet voor Jomely zou kunnen zorgen, omdat ik een beperking heb, maar ik zag juist meteen al dat Jomely niet goed dronk. Dat klopte, want ze had een prop in haar darmen en moest geopereerd worden. De arts zei dat het ook slecht zou kunnen aflopen. Ik was heel ongerust en ging veel bidden. Gelukkig is het goed gegaan. De arts zei dat hij niet wist hoe dat kon. De zusters hielpen mij met zorgen voor Jomely, maar zij deden meer dan ik. Ik vroeg of ik haar de fles mocht geven, maar dat was zo’n miniflesje en ze had lucht binnen gekregen. Toen zeiden ze dat ik een te laag IQ had om voor haar te zorgen. Ik wilde graag dat we samen ergens opgevangen zouden worden, maar dat ging niet. Er werd een pleeggezin voor haar gezocht. Ik wilde dat ze in een gelovig gezin zou komen. Toen kwam ze bij Sandra en Jaap. Ik wilde sterk zijn voor haar en ging niet huilen. Ik kan niet beschrijven hoe dat was. Nu weet ik hoe ze zijn voor haar. Ze woont goed in dit pleeggezin. Ik heb vertrouwen in hen.

Ze zijn voor mij als mijn familie
Ik heb niet de kans gekregen om zelf voor Jomely te zorgen. Ik heb alleen een zus, mijn moeder is overleden. Mijn zus heeft mij geholpen en de kerk. Jomely heeft een voogd en die is moeder. Met haar kan ik veel bespreken. Ze heeft mijn dossier gelezen, maar ze wilde mijn verhaal ook horen.

De eerste keer dat ik bij Jomely op bezoek ging, was heel raar, want mijn kind was ergens waar ze niet hoorde. Iedereen vroeg aan mij waar mijn kind was en dan zei ik: “Bij haar oma.” Nu kan ik er openlijk over praten. Ik wil ook juist graag over haar vertellen. Bij de eerste bezoeken wilde ik, als ik naar huis ging, zeggen: “Ik neem haar mee.” Ik had zo’n naar gevoel. Langzaam kreeg ik er vertrouwen in, want Jomely zag er goed uit. Ze huilde niet en ze voelde zich goed, dat kon ik zien. Toen voelde ik me ook goed. Jaap en Sandra betekenen veel voor mij, omdat ze heel goed voor mijn kind zorgen. Jomely zal hen niet vergeten. Ze zijn voor mij als mijn familie. Sandra zegt dat het net lijkt alsof ik haar zus ben.

Ze zeggen dat ze op mij lijkt
Sandra stuurt vaak WhatsAppjes met foto’s, mijn hele huis hangt er vol mee. Ik zie dan op de foto’s dat Jomely blij is. Ik laat de foto’s trots aan anderen zien en die zeggen dat ze op mij lijkt. Jomely kent me goed. Ze lacht als Sandra zegt dat ik kom. Als ik bij haar op bezoek ben, speel ik met haar en doe haar in bad. We gaan ook wandelen en schommelen in het speeltuintje.

Ze komen soms ook bij mij. Ik woon in een appartement en ik voel me af en toe heel alleen. Dan denk ik: “Was Jomely maar hier.” Ik ga weleens met vriendinnen de stad in en ik ga ’s morgens altijd naar de dagbesteding. ’s Middags moet ik mijn huis schoonmaken, kleren wassen en eten koken. Jomely heeft haar vader één keer gezien. Hij is op haar verjaardag geweest. Ik heb ook geen contact met hem. Toen Jomely jarig was, hebben we het bij Sandra gevierd met haar familie en bij mij met mijn familie en vriendinnen. Toen konden ze haar ook eens in het echt zien. Ik heb cadeautjes en kleertjes voor haar gekocht.”

Werken, leren of pleegzorg
“Ik voelde altijd al voor pleegzorg. We kregen zelf drie kinderen en toen de jongste naar school ging, heb ik me afgevraagd wat ik wilde doen met de tijd die vrij kwam: werken, leren of pleegzorg. Dat werd dus pleegzorg. Toen we het onze kinderen (7, 11 en 13 jaar) vertelden, vroeg de middelste, die PDD NOS heeft, of zij niet leuk genoeg waren. Ze vinden Jomely helemaal geweldig. Hiervoor hadden we een crisisplaatsing van een tweejarig meisje. Zij kon weer bij haar moeder gaan wonen. Het past gewoon in ons gezin, het voegt zich heel gemakkelijk. Het contact met Mayra ook. De bezoeken verlopen goed. Ze komt eenmaal per maand en daarnaast hebben we nog zes of zeven keer per jaar een bijzonder bezoek: met verjaardagen en feest­dagen en dergelijke. Met onze oudste dochter klikt het bijzonder goed: ze giechelen samen over jongens. We konden met Mayra ook meteen over het geloof praten. Jomely is gedoopt. Mayra heeft haar doopjurk gekocht en ze heeft Jomely gedragen in de kerk. Natuurlijk waren onze kinderen er ook bij.

Ik hoef haar moeder niet te zijn
Wij hebben alle vertrouwen in de toekomst. Ik zal Mayra graag betrekken bij het leven van Jomely. We kunnen samen naar de informatieochtend van de peuterspeelzaal gaan en naar het kerstfeest op school.

We hebben een pleegzorgwerker die ons goed begeleidt. De voogd is net nieuw, dus die kennen we nog niet zo goed. Tot nu toe zijn er geen dingen die we moeilijk vinden. Ik weet dat het ook heel anders kan gaan in pleegzorg. Bij een vriendin van ons loopt de plaatsing helemaal niet zoals zij zouden willen. Zorgen voor Jomely voelt voor mij net als zorgen voor onze eigen kinderen. Als ze ziek is, voel ik hetzelfde en als ik haar eens bij een ander moet achterlaten, ook. Ik hoef haar moeder niet te zijn, dat is Mayra, maar ik zorg wel voor haar alsof het mijn eigen kind is.

Mayra heeft weinig familie, alleen een zus en een nichtje en hen betrekken we ook bij het leven van Jomely. Met Valentijnsdag heb ik namens Jomely een kaart gestuurd en met Moederdag was er natuurlijk een cadeautje voor Mayra. We staan open voor een bijplaatsing en toen de pleegzorgwerker onze kinderen vroeg aan wat voor kind zij dan dachten, zei onze dochter: “Het kind maakt niet uit, maar doe een moeder zoals Mayra!”

 


Tags: ,