Meer en meest

Eigenlijk vind ik het altijd heerlijk om andere pleegouders te ontmoeten en met hen over pleegzorgperikelen te praten. Toch moet me iets van het hart. Er ontstaat tussen pleegouders een raar soort wedstrijdje, vaak al bij de kennismaking. “Hoeveel pleegkinderen heb jij?” is een van de vragen die als vanzelf hele opsommingen oplevert: “Ik heb drie eigen kinderen en twee pleegkinderen” of “Ik heb vier pleegkinderen.” Hoe hoger het aantal, hoe mee bewondering er wordt geoogst. “Zo, knap hoor!” Tussen die opsommingen komt er zo nu en dan een pleegouder aan het woord die er ‘maar’ één heeft. Zo kondigt hij of zij dat ook aan, soms zelfs verontschuldigend. Wat ben ik dan blij voor dat ene kind en ik luister graag naar de ervaringen van deze persoon. Die ontmoeting is voor mij even waardevol als die met een ‘grootgezinliefhebber’.

De aanleiding van deze hartenkreet is een gesprekje met een pleegzorgwerker over het gebruikmaken van de ervaringen van pleegouders in de begeleiding. Hij had daar duidelijke ideeën over: “Ik ken wel iemand die anderen veel kan leren. Je kunt bij haar altijd wel een kind kwijt, hoe moeilijk het gedrag ook is. Zij zou eens moeten vertellen hoe ze dat doet.” Mijn antwoord was misschien te kritisch of ongenuanceerd: “Ik vind dat je ook veel kunt leren van een pleegouder die één kind een plekje in zijn of haar leven probeert te geven.” Het resultaat was beëindiging van dit gesprek en vooral onbegrip, want hoe kon ik de ervaringen van die superpleegouder zetten naast die van een gewone huis-, tuin- en keukenpleegouder?

 


Tags: ,