‘Help!’

Anne Marie Oudesluys-Murphy is werkzaam als arts en werd in 2005 benoemd tot hoogleraar aan de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit Leiden. Zij is werkzaam in het vakgebied van de Kindergeneeskunde en is gespecialiseerd in sociale pediatrie, waar de gezondheid van het kind in brede zin wordt bekeken. Als kinderarts wordt ze regelmatig geconfronteerd met kindermishandeling en verwaarlozing.

“Ons team bespreekt ongeveer 120 gevallen per jaar waarbij een vermoeden van kindermishandeling of verwaarlozing is”, vertelt Anne Marie Oudesluys-Murphy. “Vaak is er sprake van duidelijk zichtbaar fysiek letsel, ernstige ontwikkelingsachterstanden of zijn er vermoedens van seksueel misbruik. Als een kind met letsel in het ziekenhuis komt, voeren we eerst het standaard medisch beleid uit. Hierna wordt de Meldcode Kindermishandeling gevolgd en bespreken we de situatie met het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Ook onderzoekt de kinderarts wie het gezag heeft. Deze persoon moet immers toestemming geven voor eventueel medisch onderzoek en behandeling. Het is soms lastig om te achterhalen wie dat is. Zeker als er verschillende partijen bij het kind betrokken zijn, zoals pleegouders, biologische ouders en een voogd.”

Vormen van kindermishandeling
Bij de term kindermishandeling denken mensen vaak aan lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik, maar er zijn meer vormen, zoals emotionele mishandeling en verwaarlozing. “Al deze vormen hebben negatieve gevolgen voor het kind en zijn even schadelijk. Een mishandeld kind moet zo snel mogelijk worden opgevangen en hulp krijgen. Hoe eerder de hulp op gang komt, hoe beter je kinderen kunt helpen.” De afgelopen jaren is de aandacht voor kindermishandeling toegenomen. “We krijgen er meer vragen over en ook de media besteden er meer aandacht aan. Mishandeling wordt vaker gerapporteerd en professionals zijn alerter op signalen.” Ze is blij met deze aandacht. “Als mensen kindermishandeling niet zien en niet herkennen, kunnen ze ook niets doen om kinderen te helpen.”

Pleegzorg en de kinderarts
Pleegzorg kan op verschillende manieren te maken krijgen met een kinderarts. “Er kan een vraag zijn over een kind dat geplaatst moet worden in een pleeggezin. Daarnaast komen pleegouders met vragen bij de kinderarts. In deze gevallen maken de pleegouders zich zorgen over het kind, omdat zij vermoeden dat het kind mishandeld is. Bij vragen van pleegouders en de pleegzorgorganisatie bepalen we in een overleg of we een medisch georiënteerd onderzoek uitvoeren. De resultaten worden gedeeld met degene die het gezag heeft; dit is vaak de voogd. Een eventuele behandeling hangt af van de situatie waarin het kind zich bevindt.”

Kindcheck
Verschillende hulpverleners maken gebruik van de Kindcheck, een onderdeel van de Wet Meldcode. In zorgelijke gevallen moet de professional onderzoeken of de cliënt de zorg heeft over minderjarige kinderen en of de kinderen veilig zijn. Een zorgelijk geval is bijvoorbeeld een ouder die lijdt aan een ernstige (chronische) depressie of een zware verslaving. Oudesluys-Murphy noemt de Kindcheck een goede ontwikkeling. “Er wordt niet alleen naar het kind gekeken, maar naar de hele gezinssituatie. Zo hoop je er eerder bij te zijn. Mensen moeten in moeilijke situaties meer en betere steun krijgen, niet alleen gericht op opvoeding, maar ook op andere stressoren die invloed kunnen hebben op het ontstaan van kindermishandeling. Denk aan de psychische gesteldheid van de ouders, de financiële situatie, werkloosheid en de relatie tussen de ouders.”

Varisha Hoeba en Daphne Soutendijk


Tags: , ,