Ben ik je pleegzoon of je zoon?

De pleegzoon van Francette en Henk, ging op achtjarige leeftijd naar een instelling voor kinderen met een verstandelijke beperking. In de weekends bleef hij bij zijn pleeggezin wonen. De hechte band van Francette met Errol bleef altijd bestaan. Nu Errol volwassen is, heeft Francette veel steun aan andere ouders met een gehandicapt kind.

Wat is de samenstelling van jullie gezin?
“Ons gezin bestaat uit mijzelf (62) en Henk (60), onze pleegzoon Errol (29) en zonen Douwe (24) en Fokke (22). Alle zonen wonen inmiddels op zichzelf.”

Hoe kwamen jullie ertoe om pleegouders te worden?
“Na jaren tevergeefs proberen om zwanger te raken, besloten we om voor pleegkinderen te gaan zorgen. We waren toen 37 en 35 jaar. Eerst hadden we een puberzoon van een vriendin in huis, maar die ging na een jaar, op zijn achttiende, elders wonen. Daarna wilden we voor een jonger kind zorgen. Zonder ervaring met kinderen was zo’n puber in huis best heftig voor ons. We zijn gaan praten met iemand van de William Schrikker Groep (WSG) en zo kwam Errol op zijn vierde bij ons.”

Hoe reageerde de omgeving en jullie familie op het pleegouderschap?
“Fantastisch! Iedereen om ons heen was blij voor ons, want ze wisten van onze kinderwens. Men gunde het ons van harte. Errol was ook een lief jongetje, dus iedereen reageerde enthousiast. Het enige dat mij tegenviel, was dat ik helemaal geen verlof kreeg van mijn werk, zoals andere moeders dat kregen om zeker in de eerste weken een band op te bouwen met hun kind. Om Errol te laten hechten moest ik naast een fulltime baan wat vrije dagen opnemen.”

Hoe zag de begeleiding eruit en voorzag die in de behoefte?
“De begeleiding in die tijd was heel goed. We kregen een persoonlijk begeleider in het kader van PIP (Project Intensieve Pleegzorg) en die kwam elke drie à vier weken langs. Als ik tussendoor behoefte had aan advies, kon ik altijd een beroep op hem doen. Op zijn achtste werd Errol opgenomen. Daarna kreeg ik te maken met veel verschillende begeleiders en die kwamen maar een of twee keer per jaar. Daar was ik zeer on­tevreden over en dat heb ik toen ook aangekaart.”

Waar hebben jullie steun bij nodig, waar zijn jullie onzeker over?
“Nu Errol 29 jaar is, heb ik de meeste steun aan andere ouders met een gehandicapt kind. Toen Errol een jaar bij ons was, werd ik toch nog onverwacht zwanger en twee jaar later nog eens. Zo hadden we ineens drie kinderen! Omdat Errol verstandelijk gehandicapt en autistisch is, werd dat best een zware tijd. Errol was zijn vaste structuur kwijt en reed op een gegeven moment oneindig met zijn autootje heen-en-weer over het tapijt. Alle kinderen leden onder de situatie. Uiteindelijk werd in goed overleg besloten dat Errol door de week in een speciale instelling werd op­genomen. Nu maak ik me wel eens zorgen over hoe het met Errol moet als ik er niet meer ben.”

Hoe ziet het contact met ouders en familieleden eruit?
“De Turkse vader van Errol is één keer op bezoek geweest voor de plaatsing, het leek op een soort ‘keuring’. Daarna is hij nooit meer geweest. Errols moeder is op zijn veertiende eenmalig op bezoek geweest. Zij had indertijd zes kinderen die allemaal op dezelfde dag uithuis zijn geplaatst. Alle kinderen hebben een ontwikkelingsstoornis opgelopen en het contact onderling is minimaal.

Welke praktische problemen kwamen jullie tegen?
“De praktische problemen kwamen meer door Errols handicap dan door de pleegzorg. Welke school past het beste bij hem? Wat is zijn diagnose nu precies? Hierin zijn we goed geholpen door de WSG.”

Hoe gaan jullie kinderen met het pleegkind om?
“Onze zonen gaan ieder op hun eigen wijze met Errol om. De oudste gebruikt veel humor en kan met plagen een leuk contact met Errol maken. Hij heeft geen oordeel over Errol en stelt weinig eisen aan hem. De jongste vindt dit lastiger en kreeg in het verleden het idee: ‘Ik ben beter dan Errol’. Hij ging hem dan corrigeren, maar Errol kon daar maar tot op bepaalde hoogte aan voldoen. Onze jongste ergerde zich dan snel aan hem.”

Zijn er momenten geweest waarop jullie dachten: we hadden er nooit aan moeten beginnen?
“Op het moment dat we het niet meer aankonden en het ten koste ging van alle drie de kinderen. De vakan­ties waren ook absoluut niet fijn. Een vreemde omgeving, daar reageerde Errol heel slecht op. Hij kreeg dan teveel prikkels en dat trok alle energie uit hem.”

Beschrijf een ervaring die illustreert: daar doe ik het voor.
“Nog niet zo lang geleden vroeg Errol of hij mij een heel stomme vraag mocht stellen. Ik zei: “Toe maar, we zien wel hoe stom die is.” Hij vroeg: “Vind je dat ik je pleegzoon of je zoon ben?” Ik antwoordde: “Errol, ik zeg altijd dat ik drie zonen heb: Errol, Douwe en Fokke.” Waarop hij enorm glunderde.”

 


Tags: ,