Waar blijft het kind?

Het jaar 2015 nadert snel en ook pleegzorg maakt zich op voor een nieuw wettelijk kader en de overdracht van de verantwoordelijkheid naar de gemeenten. In alle drukte wilde Pleegzorg Nederland op 19 juni concreet stilstaan bij waar het eigenlijk om draait: het kind. ‘Waar blijft het kind?’ was dan ook het thema van het pleegzorgsymposium 2014, maar eigenlijk ging de dag vooral over regelgeving, onderzoeken en methodes. Een leerzaam symposium in vogelvlucht.

De zeshonderd deelnemers luisterden aandachtig naar de videoboodschap van Kinderombudsman Marc Dullaert. Hij deed een groot appel op continue aandacht voor de belangen van het kind. Wat hem betreft moet de vraag ‘Waar blijft het kind?’ altijd op ieders netvlies blijven staan. Dullaert: “In de gespreksvoering met de ouder hebben we het als hulpverlener vaak al moeilijk om het gesprek ‘goed’ te houden en verliezen we het doel van het gesprek, ‘het kind’, uit het oog.” Dat moet anders.

Breinlittekens
De deelnemers konden kiezen uit talloze workshops en lezingen. Hierin werden resultaten van bruikbare methodes en wetenschappelijk onderzoek gedeeld. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de effecten van verwaarlozing, mishandeling en misbruik, maar ook naar hoe je kinderen in pleeggezinnen het beste kunt steunen om deze problemen zoveel mogelijk te verwerken. Bij jonge kinderen kunnen deze problemen onomkeerbare schade veroorzaken. Dat wordt steeds duidelijker. Zo heeft Bernet Elzinga, hoogleraar Klinische psychologie in Leiden, onderzoek gedaan naar de invloed van stress op het brein. Welke invloed hebben bepaalde ervaringen uit de jeugd nog in het volwassen leven?

Elzinga maakt onderscheid tussen emotionele verwaarlozing en mishandeling, fysieke mishandeling en seksuele mishandeling. Kinderen die opgroeien bij ouders die verbaal zeer agressief en weinig liefdevol zijn, ontwikkelen een negatief zelfbeeld en hebben een verhoogd risico om chronische depressie of angstklachten te ontwikkelen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat volwassenen die met klachten bij een psycholoog komen en emotionele verwaarlozing en emotionele mishandeling in hun jeugd rapporteren, een duidelijke reactie laten zien in de amygdala en prefrontale cortex. Deze hersengebieden zijn van belang voor het herkennen en reguleren van dreiging in sociale situaties. Elzinga concludeert dat hersenen in de vroege jeugd geprogrammeerd worden om sociale dreiging te detecteren. Er moet nog verder onderzoek gedaan worden om te kijken op welke manier deze breinlittekens nog kunnen normaliseren door interventies, bijvoorbeeld gezinstherapie of pleegzorg.

Nieuwe Jeugdwet
Natuurlijk was er ook aandacht voor de transitie jeugdzorg en de nieuwe jeugdwet die allebei op 1 januari 2015 ingaan. De grote lijn begint zich wel af te tekenen wat betreft de transitie jeugdzorg en de ruimte die gemeenten hebben om de jeugdzorg in te vullen. Renske de Boer van de Hogeschool Leiden zette dit verhaal nogmaals uiteen. Als je dan wilt weten hoe pleegzorg in het nieuwe plaatje past, is er nog veel onduidelijk. In principe komt alle pleegzorg onder de geïndiceerde zorg terecht. Mogelijk spreken sommige gemeenten af dat weekendpleegzorg en deeltijdpleegzorg in het vrij toegankelijke deel komt, waardoor bijvoorbeeld wijkteams dit kunnen regelen.

De 403 gemeenten gaan samenwerkingsverbanden aan om de jeugdzorg te regelen. Deze tweeënveertig samenwerkingsverbanden heten jeugdregio’s. Ze kopen gezamenlijk de hulp in bij gecertificeerde jeugdzorginstellingen. Hierbij moet je bijvoorbeeld denken aan pleegzorgorganisaties, bureaus jeugdzorg of het Leger des Heils. Het uitgangspunt in de nieuwe jeugdwet is dat kinderen die (tijdelijk) niet bij hun ouders opgroeien bij voorkeur in pleeggezinnen en gezinshuizen wonen. Het inkopen van zorg, wat de gemeenten moeten gaan doen, vergeleek Renske de Boer met het inkopen van thuiszorg. Er zal wel wat gaan veranderen in het veld, voorspelde ze in een zaal waar een behoorlijk percentage van de toehoorders niet zeker is van hun baan in de toekomst. Een pleegouder uit de zaal vroeg mevrouw de Boer hoe men het voor zich zag, het inkopen van pleegzorg. “Pleegouders zijn niet aan te besteden als vrijwilliger.” De toehoorders in de zaal waren het daar van harte mee eens. De komende maanden moet er nog veel uitkristalliseren. Spannende tijden wachten ons.

Seksueel misbruik voorkomen
André Rouvoet sprak over het Kwaliteitskader voorkomen van seksueel misbruik, de uitwerking van de aanbevelingen van de Commissie-Samson. Hij stelde dat het bijzondere van pleegzorg is, dat het kind in een zo gewoon mogelijke omgeving kan opgroeien en contact kan blijven houden met zijn ouders. Helaas is de veiligheid daarin niet altijd vanzelfsprekend. Daaraan moet voortdurend aandacht worden besteed. Nog steeds blijkt dat het praten over seksueel misbruik een taboe is en dat er nog veel handelingsverlegenheid is in de hulpverlening. Pleegzorgbegeleiders moeten dit onderwerp agenderen voor de gesprekken die zij voeren met pleegouders en pleegkinderen.

In het project Iris van de Universiteit van Groningen (Hans Grietens e.a.) komen pleeggezinnen aan het woord over de zorg voor een seksueel misbruikt kind. Op basis van de informatie uit het project komt er een toolkit voor pleegouders, zodat zij nog beter voor misbruikte kinderen kunnen zorgen. Voor deze kinderen moet gericht gewerkt worden aan herstel van vertrouwen. Rouvoet noemde ook nog het risico voor pleegouders om beschuldigd te worden van seksueel misbruik. Zij wonen in een glazen huisje. De pleegzorgbegeleider moet in de pleeggezinnen concreet doorvragen naar de manier waarop de pleegouders seksuele opvoeding geven aan hun kinderen. Het Vlaggensysteem is daarbij een mooi hulpmiddel (zie ook Mobiel 6 2011, ‘Vlaggen bij seksueel grensoverschrijdend gedrag’). Het is een aspect van professionaliteit van de pleegzorgwerker als hij het thema niet uit de weg gaat en een bewijs dat het bij hem draait om het kind.

Pleegouders versterken
De Vlaamse pleegzorg heeft goede resultaten behaald met de versterking van pleegouders in de opvoeding van pleegkinderen, vertelde Frank van Holen van de Vrije Universiteit Brussel. Het probleemgedrag van kinderen moet worden verbeterd door steunend opvoedgedrag van de pleegouders: positieve betrokkenheid, warmte en inleving. Gedragsproblemen van een pleegkind verhogen de gezinsbelasting in het pleeggezin en daardoor gaan pleegouders minder efficiënt opvoeden. Ze willen dat het probleemgedrag stopt en gaan meer straffen. Er ontstaan gevoelens van machteloosheid en pleegouders raken verstrikt in een negatieve spiraal: hard straffen, inconsequentie en woede-uitbarstingen. Het resultaat: een afgebroken plaatsing.

De methode Pleegouders Versterken in Opvoeden (PVO) kan dit alles voorkomen (zie ook Mobiel 4, 2012, ‘De kont tegen de krib’). Er zijn twee modules: Sociaal Interactioneel Model (SIM) voor 3- tot 12-jarigen en Geweldloos Verzet (GV) voor 6- tot 18-jarigen. In de tien sessies van SIM wordt gewerkt aan het bevorderen van positieve ouder-kind-interacties, emotioneel communiceren, positieve benadering combineren met disciplinering en consistent disciplineren. De sessies van GV worden bijvoorbeeld ingezet bij kinderen met angstproblemen, met obese, kinderen die behandeling weigeren of computerverslaafde kinderen.

Ouderbegeleiding
Daniëlle Oomen en Julia Brinkhuis van De Rading gaven een presentatie over ouderbegeleiding. Wanneer een opvoedingsbesluit genomen is, vraagt dit een nieuwe balans in de relaties tussen ouders, pleegouders en kind. Voor het kind is het van belang dat er een goede samenwerking komt tussen ouders en pleegouders. In de praktijk blijkt dat contactmomenten vaak beladen zijn (zie ook pagina 22, ‘Alleen met een groot verdriet’). De samenwerking tussen ouders en pleegouders vraagt om specifieke begeleiding. De Rading, Parlan en Youké Jeugd hebben in samenwerking met PI Research de module ‘ouderbegeleiding na een opvoedingsbesluit’ ontwikkeld (zie ook Mobiel 2 2012, ‘Mijn kind, jouw pleegkind’). Deze module biedt pleegzorgbegeleiders praktische handvatten om het rouwproces van ouders te begeleiden, zodat zij de pleegzorgplaatsing beter kunnen verdragen. Er zijn bijvoorbeeld vragenlijsten, ‘praatplaten’ en een jaarplanning. Wat ook vaak werkt, is de ‘rotte vis’-brief, waarin ouders alles frustraties eruit gooien. Daarna schrijven ze een boze brief en vervolgens een brief die ze echt kunnen versturen. De pleegzorgorganisaties werken nu een tijd met deze module en betrokken partijen reageren enthousiast.

Het welzijn van pleegkinderen
“Hoe gaat het met pleegkinderen in Nederland?” vroeg Anne Maaskant zich af. Pleegouders staan in de opvoeding van hun pleegkind voor een mooie, maar vaak ook intensieve taak. Meestal gaat het goed, maar soms vraagt het gedrag van een kind om meer begeleiding dan pleegouders kunnen bieden. Als een plaatsing daarom eindigt, is dat een grote teleurstelling met verregaande impact voor alle partijen (zie ook pagina 10, ‘Over overplaatsingen’). Er is nog weinig bekend over welke hulp het beste werkt om dit te voorkomen. De Universiteit van Amsterdam onderzoekt in samenwerking met De Rading, Juzt en Jeugdhulp Friesland hoe het met pleegkinderen gaat die voor langere tijd in een pleeggezin opgroeien. Bij de groep met het hoogste risico op een vroegtijdige beëindiging van de plaatsing wordt de effectiviteit van het ondersteuningsprogramma PMTO (Parent Management Training Oregon) onderzocht. De uitkomsten van het onderzoek worden in het najaar van 2015 verwacht. In de volgende Mobiel verschijnt een interview met Anne Maaskant, die eerder publiceerde over pleegzorg.

De stem van jongeren
Het was zeker een zinvol symposium. Wel hebben we een advies voor de organisatie: Neem de titel ‘Waar blijft het kind?’ de volgende keer eens heel letterlijk. We willen graag ook de jongeren in pleegzorg horen in de lezingen, presentaties, workshops en debatten. Zij kunnen ons zoveel leren vanuit hun eigen ervaringen. Dat blijkt uit het onderzoek dat Marja Cozijn presenteerde over de overgang van jongeren naar volwassenheid (zie ook pagina 8, ‘Achttien jaar…en dan?’). Hetzelfde geldt voor pleegouders en ouders. Laat hen zelf aan het woord. Waarom is een symposium vooral praten ‘over’ in plaats van praten ‘met’?

 


Tags: ,