Overplaatsingen: feiten en gevoelens

Overplaatsingen komen vaak voor binnen pleegzorg. Wat is er bekend over de feiten en wat betekent het voor pleegkinderen om overplaatsingen mee te maken?

Er is veel onderzoek gedaan naar overplaatsingen van pleegkinderenNOOT1. Daarbij kan het gaan om voortijdig afgebroken plaatsingen (‘breakdowns’) waarbij het probleemgedrag van het pleegkind vaak de directe aanleiding is voor de overplaatsing. Internationaal wordt het percentage breakdowns binnen pleegzorg geschat op zo’n 25 tot 50 procent. Ook in Nederland en Vlaanderen worden vergelijkbare cijfers genoemd: gemiddeld 30 tot 45 procent. Het risico op een voortijdig afgebroken plaatsing lijkt in het eerste jaar na de komst van het pleegkind het grootst. Bij overplaatsingen kan het ook gaan om ‘verplaatsingen’ waarbij het kind naar een ander pleeggezin (doorplaatsing) of terug naar de eigen ouders gaat (terugplaatsing). Nederlands onderzoek naar ruim 400 pleegkinderen van nul tot 18 jaar laat zien dat meer dan de helft (55 procent) van hen minstens één, maar vaak meerdere verplaatsingen meemaakt voor de komst in het huidige pleeggezin.

Negatieve spiraal
Langdurende pleegzorg heeft als doel een stabiele opvoedingssituatie te bieden waarbij het kind zoveel mogelijk in hetzelfde gezin opgroeit. Overplaatsingen staan haaks op deze doelstelling. De hoge cijfers geven aan dat overplaatsingen helaas alarmerend vaak voorkomen. Vaak is er een negatieve spiraal: door het meemaken van overplaatsingen gaat het pleegkind meer gedragsproblemen vertonen en dat maakt het voor de volgende pleegouder moeilijker om met het pleegkind om te gaan, waardoor een nieuwe overplaatsing alweer in zicht komt. Wetenschappelijk onderzoek heeft onomstreden aangetoond dat het meemaken van veel overplaatsingen de ontwikkeling van een pleegkind negatief beïnvloedt in de zin van gedragsproblemen en achterstanden.

Gehechtheid, afscheid en verlies
Om te begrijpen waarom overplaatsingen zo negatief uitwerken op de ontwikkeling van pleegkinderen is het belangrijk om te kijken naar de gevoelens die spelen bij overplaatsingen. Als kinderen van hun opvoeders gescheiden worden, ervaren ze angst en verdriet. Een overplaatsing betekent dat je afscheid moet nemen van de mensen aan wie je gehecht bent. Of kinderen nu veilig of onveilig gehecht zijn, bij het afscheid verliezen ze de basis waarop ze kunnen terugvallen. Ze zijn hun baken kwijt en voelen zich daardoor onzeker, angstig en verdrietig. Onveilig gehechte kinderen zullen die angst en onzekerheid minder durven tonen, omdat ze ondervonden hebben dat de omgeving daar negatief op reageerde. Veilig gehechte kinderen zullen misschien wat openlijker hun verdriet tonen, maar ook zij lijden eronder als de vertrouwde opvoeder er niet meer is om steun en troost te geven.

Gehechtheid telt mee
Het woord gehechtheid of hechting wordt vaak gebruikt binnen pleegzorg. We willen ervoor zorgen dat pleegkinderen zich veilig voelen, zich durven toevertrouwen aan de opvoeder. Immers, veilig gehechte kinderen hebben betere toekomstperspectieven: ze zijn sociaal vaardiger en lopen minder risico op gedrags- en relatieproblemen. Het inzicht dat het meemaken van overplaatsingen alles te maken heeft met gehechtheid, zou de allergrootste drijfveer moeten zijn om overplaatsingen binnen pleegzorg zoveel mogelijk terug te dringen en om de begeleiding bij overplaatsingen aan te laten sluiten bij de gevoelens van afscheid en verlies.

NOOT1 Voor een overzicht van relevant onderzoek zie P. van den Bergh & T. Weterings (red.), Pleegzorg in perspectief. Assen: Van Gorcum, 2010.

 


Tags: , ,