Alleen met een groot verdriet

Het is de nachtmerrie van iedere ouder: je kind moeten afstaan voor korte of langere tijd, omdat je zelf niet in staat bent voor je kind te zorgen. Dat je zelf als ouder tekortschiet is al erg genoeg, maar waar komt je kind terecht? Wie gaat er voor je kind zorgen? Komt je kind ooit weer terug naar huis? Mag jij je kind blijven zien? Elly Singer(1) en Adimka Uzozie(2) onderzochten met twee collega’s de ervaringen van tien gezinnen tijdens een uithuisplaatsing en pleeggezinplaatsing van hun kind.

Binnen de jeugdzorg in Nederland wordt veel belang gehecht aan de betrokkenheid van de ouders bij het pleegzorgtraject. Want pleegzorg – binnen het vrijwillige kader – is er in eerste aanleg op gericht om terugkeer naar huis mogelijk te maken en ouders zelf de opvoeding weer op zich te laten nemen.
Pas als blijkt dat terugkeer naar het ouderlijk huis onmogelijk is, wordt naar een pleeggezin gezocht waar het kind voor langere tijd en waarschijnlijk tot het volwassen is, kan worden opgevoed. Uitgangspunt van pleegzorg is dat pleegouders erkennen dat het kind ‘echte’ ouders heeft en dat ze omgang met de eigen ouders steunen.

In de praktijk lijken deze zaken lang niet altijd gerealiseerd te worden. In eerder onderzoek vonden we dat pleegouders en hun biologische kinderen soms moeite hebben met de ‘echte’ ouders van hun pleegkind. Ook pleegkinderen kunnen soms worstelen met de vraag ‘bij wie hoor ik?’ Hoe de biologische ouders van pleegkinderen tegen de uithuis- en pleeggezinplaatsing aankijken, is in Nederland nog nauwelijks onderzocht.

Ongelukkige start
Uit de interviews met ouders waarvan de kinderen waarschijnlijk niet teruggeplaatst zullen worden, blijkt dat de kennismaking met de pleegouders van hun kind vaak al ongelukkig verloopt. Verschillende ouders horen pas achteraf waarom hun kind in eerste instantie uithuis is geplaatst of is overgeplaatst naar een ander pleeggezin. Ze hebben moeite om de redenen van de uithuisplaatsing te begrijpen en te accepteren. Verschillende ouders vinden dat ze oneerlijk zijn beoordeeld en dat de uithuisplaatsing voorkomen had kunnen worden als ze meer hulp hadden gekregen. Een van de geïnterviewde moeders zegt daarover: “Aan de ene kant denk ik: ze is nu in een veilige woonomgeving, waar ze goed verzorgd wordt. Aan de andere kant is het wel beter als ze bij haar eigen moeder is, zodat de eigen moeder haar kan opvoeden met begeleiding.”

Contact met de pleegouders
De meeste ouders maken pas kennis met het pleeggezin, nadat hun kind geplaatst is. De manier van kennismaking en de ontwikkeling van het contact met de pleegouders van hun kind is zeer verschillend. Het varieert van positief en begripvol vanuit de pleegouders naar de ouders tot pleegouders die ieder contact afhouden en niet willen dat de ouders het kind bij het pleeggezin bezoeken. Vooral dat laatste roept veel weerstand op bij de ouders tegenover het pleeggezin van hun kind.

Contact met je kind
De bezoekregeling en de contactmomenten van de ouders met hun kind zijn beladen en roepen veel emoties op. Ouders vinden het vervelend als door de (gezins)voogd wordt bepaald wat ze met hun kind moeten doen en hoe lang ze elkaar mogen zien. De aanwezigheid van iemand die toezicht houdt tijdens het contact met hun kind ervaren ze als zeer belastend. Een aantal ouders weet zich met hun emoties geen raad. Zij houden zich sterk en verbergen hun boosheid en verdriet uit angst voor nieuwe maatregelen. Dat lukt echter niet altijd: “Ik heb bij de gezinsvoogd de eerste keer niets anders gedaan dan grienen. Ik had het misschien nooit moeten doen, maar ik ben ook maar een mens. Je mag niet huilen, want dat is voor hun een entree om te zeggen ‘die meneer zit niet helemaal goed in elkaar, die spoort niet.’ Dat hoor je dan achteraf.”

Heftige emoties
Dat ouders veel heftige emoties ervaren door alles wat hen overkomt vanaf de uithuisplaatsing, is weinig verrassend. Zij vertellen dat een uithuisplaatsing nooit went en zoeken afleiding om niet aan hun situatie te hoeven denken: vrijwilligerswerk of het houden van huisdieren biedt veel ouders afleiding en voldoening. Steun vanuit de omgeving is niet voor alle ouders vanzelfsprekend. Uit schaamte proberen sommige ouders de uithuisplaatsing voor anderen verborgen te houden. Een ouder vertelt daarover: “Er waren ook mensen die zeiden: ‘hoe gaat het met je dochter?’ Ze was al uithuisgeplaatst, maar iedere keer vertelde ik: ‘Ja, ze komt over een paar dagen thuis.’ Het is wel moeilijk om tegen andere mensen te zeggen dat je kindje weg is.”
Uiteraard kan op basis van tien interviews geen representatief beeld gegeven worden, maar uit de gesprekken met de ouders komt een overweldigend gevoel van onmacht naar voren, van verdriet en boosheid waar geen ‘loket’ voor is. In hoeverre de ouders zich terecht onrechtvaardig behandeld voelen, kunnen we niet beoordelen, maar mogelijk is dit zeer zeker wél. De Kinderombudsman constateerde in 2013 dat er regelmatig fouten worden gemaakt bij de duiding van incidenten.

Tegenstrijdigheid
Ons onderzoek maakt een tegenstrijdigheid in het pleegzorgbeleid zichtbaar. Enerzijds wordt voortdurend gesteld – en waarschijnlijk met goede reden – dat contact tussen ouders en pleegkind essentieel is voor het slagen van een pleegzorgplaatsing. Dat laatste wordt ouders en pleegouders en kinderen niet gemakkelijk gemaakt. Ouders lopen over van verdriet of boosheid. Ze hebben vaak nauwelijks zeggenschap in welk gezin hun kind zal opgroeien. De pleegkinderen zitten waarschijnlijk ook vol onverwerkte ervaringen en de pleegouders horen over de erge dingen die thuis zijn gebeurd. Dat is geen goede start.

Meer compassie met ouders
Wat te doen? Volgens ons moet er in de eerste plaats meer compassie met ouders zijn. Dat zou bijvoorbeeld tot uiting moeten komen door ouders begeleiding te bieden na de uithuisplaatsing en manieren te zoeken die ouders helpen met hun emoties rondom de uithuisplaatsing om te gaan. Goed contact tussen ouders, pleegouders en kinderen vraagt om een investering. Spanning tussen de ouders en de pleegouders kan leiden tot loyaliteitsconflicten bij het kind en zorgen voor een extra emotionele belasting. Alle betrokkenen moeten leren omgaan met ellende, emoties en gevoel van (on)recht. Maar het gaat vooral óók om een toekomst en om het creëren van nieuwe perspectieven om een leven op te bouwen voor ouders en kinderen.

Het rapport ‘Alleen met een groot verdriet’ is te downloaden via www.wennenineenpleeggezin.nl (zie ook Mobiel 1 2013, ‘De stem van pleegkinderen en pleegouders’). Op deze website is ook de eerdere studie van Elly Singer en Adimka Uzozie te vinden, alsmede een magazine over wennen in een pleeggezin, dat is samengesteld door een denktank van ervaringsdeskundigen.

(1) Elly Singer, is verbonden aan de afdeling Pedagogiek van de Universiteit van Amsterdam.
(2) Adimka Uzozie is werkzaam bij Stichting Alexander.

Elly Singer en Adimka Uzozie

 


Tags: ,