Achttien jaar… en dan?

Jongvolwassenen uit pleeggezinnen en residentiële instellingen moeten bij achttien jaar vaak op eigen benen staan, omdat de hulpverlening dan meestal wordt beëindigd. Dit in tegenstelling tot jongvolwassenen die het ouderlijk huis verlaten: zij gaan gemiddeld rond hun drieëntwintigste zelfstandig wonen (Stoeldraijer, 2014). Tot op heden is er nauwelijks onderzoek verricht naar deze leeftijdsgroep. Marja Cozijn interviewde achttien jongvolwassenen tussen 18 en 30 jaar over hun ervaringen met pleegzorg en jeugdzorg en hun transitie naar volwassenheid.

In Nederland verblijven jaarlijks duizenden kinderen voor kortere of langere duur in pleeggezinnen, omdat zij wegens omstandigheden niet bij hun ouders kunnen opgroeien; in 2012 waren dat 20.949 kinderen (Pleegzorg Nederland, 2013). Op het moment dat zij achttien jaar worden, verandert hun situatie. Er worden meestal geen vergoedingen meer aan pleegouders verstrekt en de begeleiding vanuit pleegzorg stopt (Pleegzorg Nederland, 2014). Het is onduidelijk wat er dan met pleegkinderen gebeurt. Buitenlandse onderzoeken tonen aan dat er sprake is van een zorgelijke situatie, want voormalige pleegkinderen zijn in vergelijking met leeftijdsgenoten vaker dakloos en werkloos, betrokken bij criminele activiteiten, hebben vaker te maken met vroegtijdig schoolverlaten, drugsgebruik, vroege zwangerschappen en ze zijn vaker slachtoffer van misbruik (Courtney, 2009; Courtney, Lee, & Perez, 2011; Geenen & Powers, 2007; Jones, 2011; Samuels & Price, 2008).

Achttien jongvolwassenen
Het is de vraag hoe het met pleegkinderen in Nederland gaat tijdens hun overgang naar volwassenheid. Zijn er verschillen met pleegkinderen die eveneens in residentiële instellingen zijn opgegroeid? De achttien jongvolwassenen uit het onderzoek zijn opgegroeid in pleeggezinnen en/of residentiële instellingen. Vier pleegkinderen (A) hebben tussen veertien en achttien jaar aaneengesloten in een pleeggezin gewoond. Negen jongvolwassenen zijn van en naar ouders, pleeggezinnen en residentiële instellingen verplaatst (B) en vijf jongvolwassenen zijn vanaf de puberteit in een residentiële instelling geplaatst (C)(1).

Pleegkinderen (A) hebben een relatief lange, stabiele periode bij hun pleegouders gewoond. Zij hebben het verblijf als prettig ervaren, zien hun pleegouders als ‘ouders’ en kregen veel steun gedurende de opvoeding. Pleegkinderen (B) die zowel in pleeggezinnen als residentiële instellingen woonden, hebben wisselende ervaringen opgedaan. Hun jeugd kenmerkt zich door herhaaldelijke wisselingen van woonplek en traumatische ervaringen op vaak al jonge leeftijd.

Gebrek aan stabiliteit
Ramon (26) woonde gedurende zijn jeugd in vier pleeggezinnen en vertelt hierover: “Ik moest gewoon mijn eigen dingen regelen en op orde houden. Een huis dat stampvol spullen staat en geen regelmatig avondeten. Bij een ander gezin had ik weer dagelijks ruzie met de kinderen.” Op zijn twaalfde werd hij bij een behandelgroep geplaatst en toen brak een stabiele periode aan. Ramon: “Als je elk jaar verhuist, kun je niet echt een geregeld leven opbouwen.”

De negen jongvolwassenen (B) zijn tussen drie en veertien keer verplaatst. Bij zes van hen werd een pleeggezinplaatsing voortijdig beëindigd (breakdown) vanwege bijvoorbeeld culturele verschillen, interactieproblemen tussen pleegouders en pleegkind of seksueel misbruik. Joris (19) woonde tot zijn vijftiende in een pleeggezin: “Ik moest daar weg, omdat ik homo ben en dat accepteerden ze niet.”

De jongvolwassenen die meerdere malen verplaatst zijn (B), geven aan zich regelmatig niet gehoord te hebben gevoeld en het vertrouwen in volwassenen te zijn kwijtgeraakt. Vera (24): “Ik had liever nog wat minder brood en wat meer liefde gekregen.” Sylvia (28) werd als tweejarig meisje in een kindertehuis geplaatst en daarna in verschillende pleeggezinnen: “Ik werd als postpakketje overal heen gestuurd. Sowieso vertrouw ik niemand, je verliest het vertrouwen in volwassenen, doordat ze er niet voor je zijn.” Bij deze pleegkinderen (B) zijn er gedurende de jeugd veelal problemen zoals moeite met het delen van gevoelens, depressiviteit, suïcidale gedachten en angstgevoelens.

Naar volwassenheid
De jongvolwassenen uit dit onderzoek menen dat zij zich met behulp van enige ondersteuning redelijk tot goed kunnen redden. Niettemin doen zich geregeld problemen voor die gerelateerd zijn aan contact met (pleeg)ouders, financiën(2), huisvesting of die van sociaal emotionele aard zijn. De transitie verloopt geleidelijker als jongvolwassenen op een voor henzelf geschikt moment zelfstandig gaan wonen. Eva (21): “Ik studeerde al, dus het was een logische stap om op kamers te gaan.”

Sommigen ervaren de stap naar zelfstandigheid als abrupt vanwege onvoldoende voorbereiding of een te snelle overgang. Shirley (29): “In mijn beleving was het ‘wieberen, je bent achttien’ (..) zij vonden dat het klaar was, het geld stopte en daar was het gat van de deur.” Verder zijn er aanwijzingen dat een gebrek aan stabiliteit in de opvoedsituatie, zoals vaak het geval is bij pleegkinderen (B), gepaard gaat met problemen tijdens de transitie naar volwassenheid. Zo zijn er onder andere problemen in het contact met (pleeg)ouders, bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten en met richting geven aan het leven.

Sociaal netwerk
Jongvolwassenen die een beroep kunnen doen op ouders, pleegouders of andere volwassenen, zijn beter in staat om met hun problemen om te gaan: een sociaal netwerk is van essentieel belang voor een gunstig verloop van de transitie. Jongvolwassenen uit pleeggezinnen (A) kunnen relatief vaker een beroep doen op hun pleegouders die zij als grote steun ervaren. Mischa (27): “Mijn pleegouders zijn de echte opa en oma van mijn kinderen.” Jongvolwassenen die in pleeggezinnen en residentiële instellingen zijn opgegroeid (B) kunnen dit minder vaak en het contact met (pleeg) ouders is regelmatig moeizaam. Shirley (29): “De relatie met mijn pleegouders is lastig, wisselend. Het is gewoon een ‘struggle’.”

Voortdurende hulpverlening
Een aantal jongvolwassenen uit het onderzoek lijkt zich bij achttien jaar niet zelfstandig genoeg te voelen om op eigen benen te staan. Dit is niet verwonderlijk aangezien de hersenontwikkeling nog voortduurt tot ongeveer vijfentwintig jaar jaar (Geurts & Huizinga, 2011; Jolles, Van Buchem, Crone, & Rombouts, 2011). Daarnaast zijn zij kwetsbaar vanwege een belaste voorgeschiedenis, gekenmerkt door verwaarlozing, mishandeling of misbruik (Van den Bergh & Weterings, 2010). Hulpverlening na het achttiende jaar is in enkele gevallen aangeboden. Vijf jongvolwassenen hebben zelf hulp ingeschakeld bij bijvoorbeeld de verwerking van traumatische gebeurtenissen en drie jongvolwassenen verwachten hier in de toekomst gebruik van te maken. Het is van belang om het hulpverleningsaanbod aan jongvolwassenen, zeker die met een gebrekkig sociaal netwerk, zoveel mogelijk te continueren tot minstens drieëntwintig jaar.

Marja Cozijn en Peter van den Bergh

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Naschrift
Het onderzoek ‘Transitie naar volwassenheid bij pleegkinderen en residentieel geplaatste kinderen’ (2012) is uitgevoerd door Marja Cozijn MSc onder begeleiding van Dr. Peter van den Bergh (Universiteit Leiden) in opdracht van Pleegzorg Advies Nederland. Voor meer informatie kunt u terecht bij marjacozijn@uwpedagoog.nl of bureauvandenbergh@ziggo.nl.

Marja Cozijn is orthopedagoog en sociaal pedagogisch hulpverlener en sinds 2005 werkzaam binnen de residentiële jeugdzorg bij OCK het Spalier (www.ockhetspalier.nl).

Peter van den Bergh is jarenlang werkzaam geweest aan de afdeling Orthopedagogiek van de Universiteit Leiden, met name op het gebied van pleegzorg.

(1) In verband met de omvang van dit artikel zijn de onderzoeksresultaten van residentieel geplaatste kinderen (C) buiten beschouwing gelaten.

(2) Geldproblemen zijn niet specifiek voor deze onderzoeksgroep. Ongeveer 40 procent van de jongvolwassenen tussen achttien en vijfentwintig jaar in Nederland heeft schulden en geldzorgen (Nibud, 2011; Van der Burg, Kreetz, & Van der Schors, 2012).

Referenties

Courtney , M. E. (2009). The difficult transition to adulthood for foster youth in the US: Implications for the state as corporate parent. Social Policy Report, 23(1), 3-18.

Courtney, M.E., Lee, J., & Perez, A. (2011). Receipt of help acquiring life skills and predictors of help receipt among current and former foster youth. Children and Youth Services Review, 33, 2442-2451.

Cozijn, M.C. (2012). Transitie naar volwassenheid bij pleegkinderen en residentieel geplaatste kinderen. Kwalitatief onderzoek (masterscriptie). Leiden: Universiteit Leiden, afdeling Orthopedagogiek.

Geenen, S., & Powers, L. E. (2007). “Tomorrow is another problem” The experiences of youth in foster care during their transition into adulthood. Children and Youth Services Review, 29(8), 1085-1101.

Geurts, H. M., & Huizinga, M. (2011). Aandacht en executieve functies. In H. Swaab, A. Bouma, J.

Hendriksen, & C. König (Red.), Klinische kinderneuropsychologie: Ontwikkelingen en functie, diagnose en therapie (pp. 169-188). Amsterdam: Boom.

Jolles, D.D., Van Buchem M.A., Crone, E.A., & Rombouts, S.A.R.B. (2011). A Comprehensive Study of Whole-brain Functional Connectivity in Children and Young Adults. Cerebral Cortex, 21, 385-391.

Jones, L. (2011). The first three years after fostercare: A longitudinal look at the adaptation of 16 youth to emerging adulthood. Children and Youth Services Review, 33(10), 1919-1929.

Nibud (2011). Mbo’ers in geldzaken. Een onderzoek naar het financieel gedrag van mbo-studenten. Utrecht: Nibud.

Pleegzorg Nederland (2013). Factsheet pleegzorg 2012. Utrecht: Pleegzorg Nederland.

Pleegzorg Nederland (2014). Wanneer een pleegkind achttien jaar wordt. Informatie verkregen op 24 april 2014 van https://www.pleegzorg.nl/voor-pleegouders/wanneer-een-pleegkind-18-jaar-wordt/

Samuels, M.G., & Price, J.M. (2008). What doesn’t kill you makes you stronger”: Survivalist self-reliance as resilience and risk among young adults aging out of foster care. Children and Youth Services Review, 30(10), 1198-1210.

Stoeldraijer, L. (2014). Bevolkingstrends 2014. Jongeren blijven langer thuis wonen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Van den Bergh, P.M., & Weterings, A.M. (2010). Pleegzorg in perspectief. Ontwikkelingen in theorie en praktijk. Assen: Van Gorcum.

Van der Burg, D., Kreetz, D., & Van der Schors, A. (2012). Nibud Studentenonderzoek 2011-2012 Een onderzoek naar het financieel gedrag van studenten in het hoger onderwijs. Utrecht: Nibud.


Tags: ,