Begeleiding adoptiegezin in 2015 anders geregeld dan begeleiding pleeggezin

Na de transitie Jeugdzorg zal adoptie­nazorg vanaf 2015 niet op lokaal niveau maar landelijk georganiseerd worden. Wat houdt adoptienazorg in en waarom wordt er bij de transitie een uit­zondering gemaakt voor adoptie? Mobiel sprak hierover met Marion van Olst, hoofd afdeling nazorg van de Stichting Adoptie­voorzieningen en vroeg een reactie aan Janette Reukers, voorlichter bij Pleeg­zorg Nederland.

De transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten per 1 januari 2015 betekent dat taken op het gebied van jeugdzorg overgaan naar de gemeenten en lokaal georganiseerd worden. Ook pleegzorg is betrokken bij die transitie en er zijn nog veel vragen over wat dit precies voor pleegzorg gaat betekenen. Dergelijke vragen zijn er voorlopig niet bij de zorg voor adoptiekinderen, want adoptienazorg blijft in ieder geval tot 2017 landelijk georganiseerd door de Stichting Adoptievoorzieningen in Utrecht (www.adoptie.nl). Dit wordt gefinancierd vanuit het macrobudget van het Gemeentefonds, zo hebben de leden van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) besloten.

De Stichting Adoptievoorzieningen verzorgt in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie het geven van algemene informatie over adoptie aan belangstellenden en ze verzorgt ook de wettelijk verplichte voorbereidingscursus voor aspirant-adoptieouders. Sinds 2000 ontvangt de Stichting Adoptievoorzieningen subsidie van de overheid om de adoptienazorg uit te voeren. Dat zal door de transitie Jeugdzorg dus in ieder geval tot 2017 niet veranderen.

Preventie en eigen kracht
Marion van Olst, hoofd nazorg van de Stichting Adoptie­voorzieningen, is blij met de beslissing die genomen is.

Van Olst: “Gelukkig kunnen we de begeleiding van adoptie­gezinnen na de komst van een adoptiekind blijven bieden. We zetten bij onze adoptienazorg in op preventie en versterking van de eigen kracht van de adoptieouders en dat past eigenlijk naadloos in de ideeën van de transitie Jeugd­zorg. Ons aanbod bestaat uit video-interactiebegeleiding, telefonisch advies en e-hulp, consultaties aan bijvoorbeeld scholen en Goede Start, dat is een cursusaanbod voor adoptieouders in de eerste drie jaar na aankomst.”

Dat deze landelijke adoptienazorg blijft bestaan is uniek, omdat alle hulp aan ouders en kinderen voortaan op lokaal niveau wordt georganiseerd. Heeft dat met de omvang van de groep adoptiekinderen te maken? Vroeger kwamen er meer dan 1000 adoptiekinderen per jaar naar Nederland. Dat zijn er tegenwoordig nog maar zo’n 400 tot 500 per jaar, terwijl vorig jaar meer dan 10.000 nieuwe plaatsingen in pleegzorg werden gerealiseerd.

Een grote groep
Van Olst: “Besef wel dat het niet alleen gaat om die 400 of 500 nieuwe adoptiekinderen per jaar, we hebben te maken met alle adoptiegezinnen met kinderen tot 19 jaar die hulp, ondersteuning of verwijzing via onze sociale kaart nodig kunnen hebben. Als je het zo bekijkt, gaat het om een groep van ongeveer 17.000 kinderen in Nederland.”

Onwenselijke versplintering
“Dat het bij adoptie om een relatief kleine groep gaat, speelt wel een rol”, gaat Van Olst verder. “Als het naar de gemeenten zou gaan, zou de bestaande adoptienazorg in de 42 nieuwe zorgregio’s zo versplinterd worden, dat er weinig van over blijft. We hebben dat met wethouders en met de VNG besproken en zij zagen ook het probleem. Stel dat er in een kleine gemeente een aanvraag wordt gedaan voor hulp aan twee adoptiegezinnen, dan is belangrijk dat deze gezinnen snel geholpen worden met adoptiespecifieke zorg. Het is kostbaar en tijdrovend om goede adoptienazorg lokaal te zoeken en in te kopen.”

Van Olst: “Er zijn pilots geweest bij de Centra voor Jeugd en Gezin op twee locaties, Alkmaar en Eindhoven. Hoewel inhoudelijk de link met pleegzorg en ook met samengestelde gezinnen gezien werd, vond men de adoptieproblematiek toch ook heel anders. Adoptiehulpvragen komen onregelmatig, nu eens een vraag en dan weer drie jaar niets, en verder kan de problematiek erg uiteenlopen. De conclusie was dat het ondoenlijk en inefficiënt is om adoptie-expertise op lokaal niveau te borgen. De Inspectie Jeugdzorg heeft daarnaast in 2011 gezegd dat het zicht op adoptiekinderen na hun aankomst in Nederland onvoldoende gewaarborgd is. Het is dus van groot belang dat deskundige adoptienazorg structureel op de kaart blijft staan.”

En na 2017?
Adoptienazorg zal dus landelijk georganiseerd blijven, als een van de drie uitzonderingen, naast de Kindertelefoon en de website Opvoeden.nl. Het is niet een permanente regeling, want de toezegging voor de financiering is tot 2017. Hoe zal het daarna gaan? Van Olst: “We maken ons wel zorgen over de toekomst, omdat het nog een hele puzzel is hoe het in 2017 verder moet. Hoe houden we goede zorg aan adoptie­gezinnen in stand? We denken aan allerlei mogelijkheden, ook aan samenwerking met pleegzorg. Ook kun je denken aan uitvoerende hulp vanuit een expertisecentrum niet-biologisch ouderschap in samenwerking met de wetenschap.”

Perspectief vanuit pleegzorg
Janette Reukers, voorlichter bij Pleegzorg Nederland, bekijkt de nazorg aan adoptiegezinnen vanuit het perspectief van de pleegzorg. Reukers: “De term nazorg is bij pleegzorg een term die gebruikt wordt als de plaatsing beëindigd is. Dan biedt de pleegzorgorganisatie nazorg. Bij adoptie is het een term die wordt gebruikt wanneer een adoptiekind bij de adoptieouders komt wonen. Bij pleegzorg is er bij iedere pleegzorgplaatsing een hulpverleningsplan en een pleeg­ouderbegeleidingsplan. Bij de pleegzorgbegeleiding is er gemiddeld genomen sprake van een contactfrequentie van eenmaal per zes weken, maar met een forse bandbreedte lopend van heel frequent bij crisisopvang en terug-naar-huistrajecten tot zeer beperkt contact bij pleegoudervoogdij.”

Schaalverschil
De groep pleegkinderen is veel groter dan de groep adoptie­kinderen. Speelt dit (terecht) een rol bij de organisatie van pleegzorg na de transitie? Reukers: “Voor de uitvoering van een kwalitatief goede pleegzorg is een minimale schaalgrootte noodzakelijk. Voor de huidige pleegzorgaanbieders geldt dat zij voldoende omvang hebben om hierin te voorzien. Het gaat daarbij in totaal om zo’n 21.000 pleegkinderen op jaarbasis.” In tegenstelling tot de begeleiding van adoptie­gezinnen zal de begeleiding van pleeggezinnen dus wel lokaal ingebed en geborgd worden. Hoe zal dat gaan in 2015? Reukers: “Vanuit de pleegzorgorganisaties wordt gekeken op welke wijze het beste aangesloten kan worden bij de wijk- en buurtteams of de Centra voor Jeugd en Gezin en hoe de samenwerking vorm kan krijgen.”

Vanaf 2015 zal de begeleiding van een adoptiegezin dus landelijk geregeld zijn en de begeleiding van een pleeggezin lokaal. Of dit leidt tot veranderingen in de begeleiding van pleeggezinnen zal de praktijk moeten uitwijzen. <

 


Tags: ,