Heimwee naar iets wat had kunnen zijn

Auteur: Martine Delfos

Kinderen die niet opgroeien bij hun biologische ouders kunnen intens missen wat ze nooit gehad hebben. Ze kunnen heimwee hebben naar het thuis dat nooit het hunne is geweest. Ze kunnen missen wat ze niet kennen. Al deze zinnen zijn waar en tegelijk voel je dat het niet kan kloppen. Je kunt niet missen wat je niet hebt gehad. Je kunt geen heimwee hebben naar een plek die nooit jouw veilige plek is geweest. Je kunt niet verlangen naar wat je niet kent. Deze laatste zinnen zijn ook waar, dat voel je ook meteen. Er is dus iets met het ‘missen’ aan de hand wat we in dit kader niet helemaal begrijpen.

Slechte pleegouders?
De eerste verklaring die in je hoofd schiet bij het missen, is dat het pleegkind het niet fijn heeft in het pleeggezin. Toch is dat niet de verklaring. Ze kunnen namelijk hun eigen moeder missen die ze nooit gekend hebben, terwijl ze heel gelukkig zijn in het pleeggezin. Het missen gaat dus om iets anders. Het gaat niet om het missen van een speciale persoon, niet om het missen van een speciale plek. Het gaat om het verlangen naar iets wat had kunnen zijn of het verdriet om wat niet had moeten zijn.

Ik ken kinderen die hun moeder missen terwijl ze bij haar wonen…

De grote toneelschrijver Eugene O’Neill schreef toneelstukken om een andere wereld te creëren, om te ontsnappen aan de wereld waarin hij met zijn aan morfine verslaafde moeder leefde en van hotel naar hotel reisde.

Ik ken ouders die een kind missen dat ze nooit gekend hebben…

“Hij zou nou veertien jaar zijn geweest, zei een moeder triest. Zou het zo’n jongetje zijn geweest met zijn petje scheef op zijn hoofd?”

Het lijkt fantoompijn, de pijn aan een ledemaat dat geamputeerd is. In feite is dat ook zo, de vader en moeder waar ze vanaf stammen zijn geamputeerd uit hun leven. Vaak voelt het kind zichzelf de geamputeerde arm: waarom wilden ze mij niet? Waarom doen ze niet meer hun best om mij terug te krijgen?

Hechting is niet zozeer waar het over gaat. Een kind kan zich hechten aan zijn zorgouders. Zoals Mark Meerum Terwogt zo treffend zei:

“Genen worden doorgegeven, maar je krijgt er geen gehechtheid voor terug. Gehechtheid moet je verdienen. En kinderen weten heel goed aan wie ze loyaliteit verschuldigd zijn: zij hechten zich aan degene die voor hen zorgt.”

Wat is missen?
Missen is een complex gevoel. Het verwijst naar iets wat je zou willen hebben. Dat hoeft niet te betekenen dat het niet goed is wat je hebt. Ze missen dus niet de ouder die ze niet kennen. Wat missen ze dan? Een gedachte, een verlangen, een hoop, een droom die nooit bewaarheid is. Een leegte in je hart waar je mee start.

Ze missen het niet een normaal kind te kunnen zijn dat bij eigen ouders opgroeit.
Ze missen het een moeder te hebben die hen mist.
Ze missen de moeder die ze had kunnen zijn.
Ze missen de moeder die hen niet heeft afgestaan.
Ze missen de geur van hun eigen genen.
Ze missen de moeder die hen niet heeft afgewezen.
Ze missen de vanzelfsprekendheid in hun bestaan.
Ze missen dat iemand onvoorwaardelijk van hen houdt.
Ze missen het onvoorwaardelijk van iemand te houden.
Ze missen een wereld waarin ze de moeite waard zijn om op te voeden door hun eigen ouders.

Niet opgroeien bij je eigen ouders betekent dat je leven begint vanuit een leegte. Je ouders hebben je niet gehouden. Wat iedereen ook voor reden geeft, het voelt toch persoonlijk. Voor het kind lijkt het alsof het niet de moeite waard is om van te houden. Kinderen zoeken naar redenen waarom ze niet opgroeien zoals ieder ander kind. Hoewel dat niet het geval is, hebben kinderen die niet opgroeien bij hun biologische ouders het idee dat ze afgewezen zijn om wie ze zijn.

Victor van vier jaar woonde in een kinderhuis. Hij zou naar een pleeggezin gaan. Leuke pleegouders en pleegzusjes waar hij welkom was. Hij dacht dat zijn biologische moeder hem niet leuk vond. Ik legde uit: Weet je, voor jouw moeder is het ook niet leuk om jou niet thuis te hebben. Jij bent heel lief en die leuke krulletjes, dat moet zij missen, maar ze kan het niet. Dat is heel jammer. Hij kon naar het pleeggezin en was er gelukkig. Met het opgroeien moet een inzicht in een nieuwe levensfase weer getoetst worden. Zo kwam het moment dat hij naar zijn moeder ging om te kijken of het klopte dat zij het niet kon. Triest genoeg moest hij ontdekken dat zij het inderdaad niet kon.

Christel woont in een gezinshuis. Het is er erg fijn. Ze kan het heel goed vinden met het dochtertje van de gezinshuisouders dat net zo oud is als zijzelf, vijf jaar. Marijke, haar gezinshuismoeder, is in de keuken met het eten bezig. Christel staat achter haar en vraagt iets. Marijke antwoordt: Dat is goed schatje. Christel voelt dat Marijke zich vergist en zegt: Nee, ik ben het Christel. Marijke schrikt. Ze dacht dat het haar dochter was en voelt zich betrapt. Ze heeft niet het gevoel dat ze verschil maakt tussen haar eigen dochter en Christel, maar Christel heeft het wel gevoeld.

De rootsreis
Bij adoptiekinderen zie je het missen in hun belangstelling voor hun achtergrond. Ook al voelen de adoptieouders ‘eigen’ en zijn ze gelukkig; ze zijn nieuwsgierig naar hun afkomst. Dezelfde huidskleur, dezelfde cultuur. Ze zoeken naar degene met diezelfde ogen, zelfde tics, hetzelfde talent voor muziek. Ze voelen een leegte die ontstaat doordat ze maar niet kunnen begrijpen waarom ze niet de moeite waard waren om te behouden.

Leyla bezoekt haar familie in het land waar ze geboren is. Ze voelt zich thuis, maar schaamt zich tegelijk diep voor de geldzucht van de familie die haar adoptieouders onder druk zet. Ze verliest de durf gelukkig te mogen zijn met de beelden van armoede op haar netvlies.

De magische puberteit
Kinderen moeten ontdekken wie ze zijn. Ze zoeken hun identiteit. Bij een pleegkind of adoptiekind lijkt het alsof ze een soort ‘bewijs’ hebben van hun anders zijn: ze zijn een kind dat niet kan of mag opgroeien bij hun eigen biologische ouders. Ze zoeken antwoorden omdat het een deel van hun identiteit vormt. In hun pleegouders en pleegfamilie herkennen ze niet dezelfde lippen, dezelfde voorkeur voor boten, dezelfde smaak. En hoe gewenst ze ook zijn, hun twijfel blijft: waarom wilden mijn ouders mij niet?

Einde basisschool proberen kinderen een beeld te vormen van hoe ze een goed kind zijn in de ogen van de maatschappij. Ze oefenen met sociaal wenselijk gedrag en vormen een sociale identiteit: wat vinden mensen van mij? Vragen komen op als: als ik bij mijn eigen ouders was opgegroeid… Ik ben vast het kind van een belangrijk iemand. Ze moeten de kans krijgen dit uit te zoeken. Een zorgouder die het zich niet persoonlijk aantrekt, kan het kind de tijd geven om door te groeien. Daarna komt de psychologische puberteit: wie ben ik. Daarvoor is nodig dat ze zichzelf vergelijken met degene van wie ze afstammen. Ze hebben de neiging hun kennis te testen. Ze gaan op zoek naar de ouders, om vervolgens te ontdekken dat ze bij hun zorgouders horen en niet bij hun biologische ouders.

Als een biologische ouder overlijdt, voelen ze zich wees van de ouder die ze nooit gekend hebben. Als pleegouders zou je alles voor hen willen doen om dat gevoel weg te halen. Dat kan niet. Je kunt alleen zo liefdevol zijn dat het hun lukt te leren leven met het gevoel van leegte en gemis.

Het kind moet door deze gevoelens heen. Ze komen altijd op. Ze komen vooral op als je onderzoekt hoe je bent en ontdekt dat er dingen niet goed zijn aan je. Dan voel je je falen en vraag je je af of dat de reden is dat je afgestaan bent. Zou je biologische ouder je beter begrijpen? Zou die beter weten wat je wel en niet wilt?

Het is normaal dat pubers zich onbegrepen voelen. Het hoort bij opgroeien. Wanneer je bij je zorgouders opgroeit en die begrijpen je niet, dan denk je: zouden mijn eigen ouders mij wél begrijpen? Die vragen moeten verwerkt worden.

Door zorgouders die het kind hiervoor de tijd geven, zal de relatie groeien en verdiepen en is het kind beter voorbereid op de volwassenheid.

Kúnnen zorgouders iets betekenen?
Natuurlijk! Van iemand houden kan groeien uit de vanzelfsprekendheid, maar kan ook zonder vanzelfsprekendheid groeien. Het is wederzijds. Het kind had het liefst de eigen ouders, de pleegouders het liefst het eigen kind. Dat moet mogen.

Je helpt je kind als zorgouders door:
– het aankunnen dat het van je houdt, maar dat je niet in álles de belangrijkste bent,
– het kind de ruimte geven zichzelf te vinden,
– het missen door je kind je niet persoonlijk aan te trekken,
– de puberteit ‘uitzitten’.
Volhouden!


Tags: , ,