Samen luisteren naar vreemde geluiden

Het is een gevoel, veilig zijn. Ongrijpbaar. Maar om dat gevoel te bereiken, zijn vaak juist heel duidelijke, concrete dingen nodig. Veiligheid is onmisbaar voor ieder mens, zo ook voor kinderen die in een nieuw gezin terechtkomen. Zij moeten dit – soms vanuit een onveilige thuissituatie – opnieuw opbouwen. Hoe proberen pleegzorgorganisaties en pleegouders een veilig thuis te creëren?

“Wat betreft de praktische veiligheid is dit landelijk vooral vertaald in een aantal indicatoren voor de fysieke veiligheid van pleegkinderen in de vorm van een richtlijn”, laat Janette Reukers van Pleegzorg Nederland weten. Het gaat dan om een veilige inrichting van het huis, een eventuele tuin en veilig vervoer. Denk dan aan een tuinhekje als er een sloot aan de tuin grenst en een traphekje om uitglijden op de trap te voorkomen.

Janette Reukers: “De verantwoordelijkheid voor de verdere concretisering en toepassing ligt bij de pleegzorgorganisaties.” Zo werken veel organisaties met veiligheidschecklists. De pleegzorgwerker loopt samen met de pleegouders met enige regelmaat zo’n lijst langs om de situatie heel concreet in kaart te brengen. Hoe staat het met de hygiëne of de bedtijden van het kind? Krijgt het kind troost en heeft het de mogelijkheid om hobby’s uit te oefenen?

Uiteraard zijn het de pleegouders die dag in, dag uit de voorwaarden proberen te bieden voor een geborgen plek.

Pleegmoeder Willemien: “Vanuit de pleegzorg moest er een eigen kamer zijn. Wij zorgden voor de basisinrichting. We vroegen naar hun favoriete kleur en gebruikten die voor de verdere inrichting van de kamer en de aanschaf van handdoeken. Ieder kind had een eigen kleur. Alle kinderen kregen een eigen plaats aan tafel, een eigen beker en een eigen speelgoedbak om ’s avonds hun spullen in te bewaren.

Het uitpakken van de kleding deden we samen, het speelgoed uitpakken lieten we hen zelf doen. Het speelgoed bleef soms een hele tijd ingepakt staan.

Met alle kinderen bespraken we hoe de nacht eruit zou zien. We vroegen of het ganglicht aan of uit moest, of ze een nachtlampje nodig hadden, wat te doen als ze toch bang waren, moesten plassen of enge dromen hadden. We vertelden dat we na een poosje zouden kijken of ze al sliepen en we luisterden samen in het donker naar de geluiden van het huis.

Onze kinderen kwamen allemaal nieuw in een huis in een straat. We moesten uitleggen hoe je buiten speelde en hoe je met verkeer omging, maar ook dat je niet met vreemde mensen mee mocht gaan. Dan kwamen er vragen als: ‘Hoe weet ik nu wie vreemd is? Bij wie mag ik mee naar binnen en bij wie niet? Waarom mag ik niet bij een vreemde in de auto stappen? Dat doe ik mijn hele leven al. Jullie kende ik toch ook niet en toch moest ik mee.’ We hebben dus in heel kleine stapjes moeten definiëren bij wie ze mochten spelen en gezegd dat (pleeg)moeders altijd willen weten in welk huis je speelt en dat je dat dus steeds even komt vertellen.

Kortom, we hebben het leven zo voorspelbaar mogelijk gemaakt en alle vanzelfsprekende zaken toch verwoord.”

Pleegzorgbegeleider Frank wil wel een kanttekening plaatsen bij de eis van een eigen kamer. “Het is ook wel heel Nederlands. Ik begeleid een Surinaams gezin en daar is een eigen kamer gewoon iets wat geen van de kinderen in huis heeft. Het motto van de pleegmoeder: ‘Zolang er een matras bij past, kan er een kind bij.’

Bij netwerkgezinnen is er niet altijd de ruimte voor een eigen kamer, maar als het wel een heel geschikte tante is, wat doe je dan?

Wel belangrijk is het om een stukje ‘eigen’ te hebben. Mijn ervaring is dat het dan niet eens een eigen kamer of eigen kast hoeft te zijn (al hebben veel kinderen dat wel hoor), maar veel meer dat je mag zijn wie je bent. Dat er respect is voor je ouders, dat wordt begrepen dat je iets op je ‘eigen’ manier doet. Soms gaat het om iets simpels, zoals: je mag met mes en lepel eten en niet met mes en vork.”

Pleegvader Arturo: “Wij hebben voor al onze pleegkinderen telkens een fotoboekje gemaakt voor de eerste kennismaking en het bezoek. Zo hadden ze een beeld van het huis, hun ingerichte kamer, de andere kinderen en ons. Wanneer ze dan bij ons kwamen wonen, hadden ze in elk geval al een redelijk beeld. Het fotoboekje konden ze aan anderen op school of aan hun vrienden laten zien.”

Pleegmoeder Marion: “Je kunt de rituelen uit het vorige pleeggezin of uit het eigen gezin handhaven, ook al vind je ze als pleegouder niet zo leuk. Het bedritueel, de gang van zaken ’s morgens, de maaltijden. Het is heerlijk voor het kind als het merkt dat het ‘zijn eigen ding’ mag doen, ook al doen ze het in het pleeggezin anders. Ons pleegkind, drie jaar toen ze bij ons kwam, vroeg bij heel veel dingen: ‘O, doen jullie dat zo? Noemen jullie dat zo?’ Later sprak ze over ‘wij’, bijvoorbeeld tegenover vriendinnetjes. Dat was voor mij een teken dat ze zich thuis was gaan voelen en een van ons was geworden.”

Weekendpleegmoeder Carla: “Ons weekendpleegkind is eerst een paar keer bij ons op bezoek geweest en wij bij hem thuis. Vervolgens hebben we het logeren langzaam opgebouwd. Eerst een middagje spelen, een keer bij ons eten en toen pas logeren. Hij neemt altijd zijn eigen knuffels mee die hem een veilig gevoel geven. Wij hebben ook een mand vol knuffels. Hij zoekt er altijd een paar uit. Al die knuffels legt hij dan samen om hem heen in zijn bed.

Het is voor hem heel belangrijk dat er duidelijkheid is over wat we allemaal gaan doen in een weekend vanwege zijn autisme. Dat geeft hem een veilig gevoel. Toen hij nog een kleuter was, hadden we een planbord met pictogrammen. Tegenwoordig mailen we voorafgaand aan het weekend over de planning, zodat hij weet wat we allemaal gaan doen.”


Tags: , ,