Is een kind beter af in een gezin?

Pleegzorg groeit, het aantal uithuisgeplaatste kinderen neemt toe, maar het aantal internaatsplaatsen neemt niet af. Pleegzorg wordt gezien als de beste optie voor een kind dat niet meer bij zijn ouders kan wonen. Is dit echt zo of is een pleeggezin vooral veel goedkoper en past pleegzorg daarom goed in het overheidsbeleid?

Als ouders de zorg voor en veiligheid van hun kind niet kunnen garanderen, spreek je al snel over verwaarlozing of mishandeling. Kinderen zitten niet goed in hun vel en ontwikkelen zich onvoldoende. Verwaarlozing en misbruik, zeker van jonge kinderen, beschadigt hen voor de rest van hun leven. Als ouders onvoldoende steun hebben aan ambulante begeleiding of als het praktisch niet meer mogelijk is om voldoende zorg te bieden, komt uithuisplaatsing in zicht.

Uithuisplaatsing en dan?
Een uithuisgeplaatst kind heeft in eerste instantie onderdak en verzorging nodig. Daarna komen opvoeding, passend onderwijs en behandeling aan bod. Een kind kan in een (netwerk)pleeggezin terechtkomen, een internaat of een gezinsachtige vorm tussen internaat en pleeggezin in. Op dit moment worden in Nederland 44.000 kinderen per jaar uithuisgeplaatst. 24.000 kinderen komen terecht in een pleeggezin. 20.000 kinderen komen terecht in een residentiële setting, waarvan 95 procent in een leefgroep van een instelling. Slechts 700 kinderen wonen in een gezinshuis. (1)

Welke optie is het beste?
De afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar de omstandigheden waarin kinderen het best gedijen. De Leiden Conference (2012) heeft bijvoorbeeld onderzocht hoe de ontwikkeling verloopt van jonge kinderen die in tehuizen opgroeiden. Hoe gaat het nu met hen en hoe functioneren ze op lange termijn? Uit het onderzoek blijkt dat deze kinderen achterblijven in hun fysieke groei en neurobiologische, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Driekwart is onveilig, gedesorganiseerd gehecht. Voor tehuiskinderen werd een gemiddeld IQ van 84 berekend, ruim onder het gemiddelde van de hele bevolking die een IQ van 100 heeft. (2)

In 2009 concludeerden Linda van den Dries, Femmie Juffer en collega’s (3) dat pleegkinderen en geadopteerde kinderen aanzienlijk minder kampen met verstoorde hechting dan kinderen in een residentiële setting. Adoptiekinderen werden vergeleken met kinderen in tehuizen, kinderen die niet geadopteerd waren, maar ook met pleegkinderen die in een gezin opgroeien met niet genetisch verwante ouders. Er zijn wel verschillen tussen pleeg- en adoptiekinderen, maar qua gehechtheid zitten ze in dezelfde situatie. (4)

Hodges en Tizard (5) deden in Engeland onderzoek waarbij ze kinderen langdurig volgden. De kinderen hebben voor hun tweede levensjaar een periode in een internaat gewoond. Ze werden gevolgd tot ze zestien waren. Een deel van hen werd teruggeplaatst in het oorspronkelijke gezin en een ander deel kwam in adoptiegezinnen terecht. In het internaat kregen alle kinderen goede voeding, wat ook leek te zorgen voor een goede cognitieve ontwikkeling. Hun hechtingsgedrag was echter merkwaardig. Op tweejarige leeftijd liepen ze naar elke volwassene om opgepakt te worden. Na hun tweede jaar werden 25 kinderen teruggeplaatst bij hun biologische ouders en 33 kinderen gingen naar adoptiegezinnen.

De onderzoekers concludeerden dat kinderen die in hun eerste levensjaren geen nauwe en blijvende band konden opbouwen met volwassenen, dat in de jaren daarna alsnog kunnen doen. De band ontstaat echter niet vanzelf en is afhankelijk van de volwassenen en hoe zij aan die band vormgeven. De meeste kinderen konden een hechte relatie met een volwassene opbouwen. Toch hebben de kinderen nog problemen nadat ze minimaal twaalf jaar in een gezin hebben gewoond. De problemen vinden hun oorsprong in de vroege internaatsplaatsing. De onderzoekers concludeerden ook dat er in de ontwikkeling geen tijdstip is waarvóór de hechting tot stand moet zijn gekomen, maar dat er eerder een gevoelige periode lijkt te zijn voor de ontwikkeling van dit gedrag.

Volgens de onderzoekers hebben adoptiekinderen een grotere kans om problemen uit hun vroegste jeugd te overgroeien dan de kinderen die teruggingen naar hun ouders. Als mogelijke verklaring geven ze dat adoptieouders meestal voor minder kinderen tegelijk hoeven te zorgen en heel gemotiveerd zijn om met het kind een goede relatie op te bouwen. Vaak verkeren ze ook in betere sociaaleconomische omstandigheden dan de ouders bij wie hun kind teruggeplaatst werd.

In een onderzoek in de Oekraïne (6) vonden de onderzoekers zelfs dat je beter in een slecht gezin kunt opgroeien dan in een tehuis als het om de kwaliteit van hechting gaat. Ook vonden ze dat kinderen die relatief kort, minder dan een jaar, in een internaat woonden toch al achterstanden opliepen.

Terug naar de Nederlandse situatie
Er is dus alle reden om uithuisgeplaatste kinderen meteen in een pleeggezin te plaatsen en niet eerst in een internaat. Sensitieve pleegouders kunnen kinderen helpen om een goede hechtingsrelatie aan te gaan. De beste zorg die een vervangende ouder kan geven is voor het pleegkind zorgen alsof het je eigen kind is. Hierdoor gaat bovendien het aantal afgebroken plaatsingen omlaag en heeft het kind kans om ontwikkelingsachterstanden in te halen.

De meeste pleegkinderen in Nederland houden contact met hun ouders. Dit lijkt een positieve bijdrage te leveren aan hun identiteitsontwikkeling. Vaak worden pleegkinderen een aantal keer verplaatst voor definitief duidelijk is op welke plek ze blijven wonen. Dat is niet goed voor hun ontwikkeling, met name voor de ontwikkeling van hechting. Kinderen hebben behoefte aan continue, stabiele relaties.

Wanneer is de opvoeding van een pleegkind geslaagd?
Het is al moeilijk vast te stellen wanneer de opvoeding van een kind geslaagd is. Op de vraag of de opvoeding van een pleegkind geslaagd is, is helemaal geen eenduidig antwoord te geven. Het doel is natuurlijk dat pleegkinderen zich als zelfstandige volwassenen in de maatschappij kunnen bewegen. Ze kunnen sociale relaties aangaan met anderen, waaronder hun familie en pleegfamilie (voor zover mogelijk). Ze kunnen voor zichzelf zorgen qua werk of opleiding, onderdak, huishouden en financiën. Veel pleegkinderen hebben wat meer tijd nodig dan kinderen die met minder belastende bagage zijn opgegroeid, maar ze komen er vaak wel. Voor de meeste pleegkinderen lijkt dit een mooi doel. Voor sommigen weet je dat dit nooit haalbaar is. Dan is het goed om aangepaste doelen te formuleren; doelen die bij hun eigen persoon en mogelijkheden passen.

In Nederland is niet onderzocht hoe pleegkinderen het redden in de maatschappij. Uit adoptieonderzoek hebben we een zeker idee. Er zijn parallellen te trekken naar pleegzorg, maar wat mij betreft zouden pleegzorgorganisaties follow-up onderzoek moeten uitvoeren. Hoe gaat het na anderhalf en tien jaar met het ex-pleegkind? Waar is de begeleiding goed geweest en welke aspecten zijn voor verbetering vatbaar?

1. Alliantie kind en gezin; www.inhuisplaatsen.nu

2. The Development and care of institutionally reared children; The Leiden Conference on the development and care of children without permanent parents. In Child Development Perspectives, 2012

3. L.van den Dries, F. Juffer et al.; Fostering security? A meta-analysis of attachment in adopted children, Children& Youth Services Review, 2009

4. Rineke Blonk, Kind beter af in een gezin, NVO bulletin 2013,

5. Hodges, J. en Tizard, B., Social and Family relationships of ex-institutional adolescents, www.holah.karoo.net/hodgesstudy.htm

6. N.A.Dobrova-Krol, M.A.van IJzendoorn, M.J.Bakermans-Kranenburg and F.Juffer; Effects of Perinatal HIV Infection and Early Institutional Rearing on Physical and Cognitive Development of Children in Ukraine, Child Development, 2010.

 

 


Tags: , ,