Het meidenhuishouden van een alleenstaande pleegvader

Peter (58 jaar) is pleegvader van twee zusjes van 10 en 12 jaar. Ook een twee­ling van 22 jaar woont in het gezin. Dertien jaar geleden nam Peter deze zussen als pleegkinderen in huis. Hij vertelt over de lange weg die hij aflegde om als alleenstaande pleegvader te worden en hoe het is om met vier meiden een huis te delen.

Peter was enkele jaren ambulancechauffeur en werkte daarna in een kindertehuis, werk waar zijn hart meer naar uit ging. Tot zijn spijt merkte hij dat de nadruk steeds meer op structuur en behandeling lag. “Protocollen leken belangrijker dan de gevoelens van kinderen. Ik kreeg het gevoel dat kinderen geen toekomst hebben in een tehuis.” Twee jongetjes die jaren in het tehuis woonden, brachten hem op het idee om zich aan te melden voor pleegzorg. “Ik dacht dat ik een kind in een gezinssituatie meer kon bieden dan ooit in een tehuis mogelijk zou zijn.” In 1993 werd hij afgewezen als pleegvader, omdat hij alleenstaand was. In die tijd werd daar negatief tegenaan gekeken. Teleurgesteld liet hij het idee varen om pleegouder te worden.

Tweeling
In het tehuis waar Peter werkte, woonde een tweeling. Hun voogd vond dat deze meisjes het beste in een pleeggezin konden wonen, maar er was geen gezin beschikbaar.

De voogd vroeg of Peter hen in huis wilde nemen. “Ik kon goed met de meisjes overweg. Na veel overleg en gezins­onderzoek werd ik in 2000 hun pleegvader. Inmiddels zijn ze dertien jaar bij me. Vanaf hun achttiende jaar zijn ze officieel geen pleegkinderen meer, maar ze willen hier graag blijven.” Ze volgen allebei een studie Sociaal Pedagogisch Werk. Peter ziet hoe ze er naartoe groeien om op zichzelf te wonen.

De afgelopen jaren hebben meerdere pleegkinderen bij Peter gewoond, ook jongens. “Naast de tweeling zijn hier nu al enkele jaren twee zusjes. Ik combineer het pleeg­ouderschap met een baan van 20 uur in een woonvoor­ziening voor mensen met een verstandelijke beperking. De vier meisjes voelen zich zussen van elkaar.”

Ongesteldheid en slappe lach
Het is voor Peter niet vreemd om als enige man tussen vier meiden te wonen. “Ik kom uit een gezin met negen kinderen, waarvan vijf meisjes. Meidendingen als bekvechten, on­gesteldheid en slappe lach zijn mij niet vreemd. Meiden in huis betekent gedoe over opmaken, verliefdheid en jaloezie.” Toen een van de tweeling verkering kreeg, had hij het daar wel even moeilijk mee. “Voor mijn gevoel pakte deze jongen mijn dochter af.”

Het pleegouderschap leidde tot meerdere verbouwingen: een vaste trap naar de zolder en een dakkapel om een extra slaapkamer te maken. Nu hebben alle kinderen een eigen kamer. Daarnaast bepaalde het ook op een andere manier zijn leven: hij heeft geen partner. Peter is niet actief op zoek. Het pleegouderschap remt hem af in de wens een partner te hebben. “Als ik een vrouw vind, moet ze hier echt tussen passen!” Hij kan gemakkelijk en met humor de voordelen opnoemen van alleenstaand pleegouderschap. “Je wordt niet uitgespeeld door de kinderen en krijgt geen ruzie over de opvoeding.”

Niet alleen
Peter staat er zeker niet alleen voor. “Mijn zus is ortho­pedagoog, met haar overleg ik regelmatig. Zij is mijn sparringpartner en raadsvrouw. Ze vindt het leuk om met mij en de meiden kleren te kopen. Ik hou daar zelf niet zo van. Mijn buurvrouw past op en ook de tweeling past soms op de kleintjes, als ik er niet ben. Daarnaast heb ik regelmatig contact met de voogd en de pleegzorgbegeleider.”

Peter vindt het contact tussen de kinderen en hun familie belangrijk. Hij heeft ervaren dat het de moeite loont om daarin te investeren. “Als het contact tussen familie en pleeg­ouder redelijk tot goed is, kan een kind zich beter ontplooien in een pleeggezin. Dit blijft belangrijk, zelfs nu de tweeling volwassen is.”

Naar volwassenheid
Ondanks alle steun, zijn er ook twijfels. “Je bent nooit klaar met de opvoeding, ook niet nu de oudsten meerderjarig zijn. Ik krijg soms opmerkingen naar mijn hoofd als een kind kwaad is: ‘Je bent mijn vader niet.’ Als het tussen ons even niet goed gaat, zeggen ze bijvoorbeeld: ‘Had je ons maar niet in huis moeten nemen.’ Het hoort erbij en geeft aan dat ze zich veilig voelen om zoiets te kunnen zeggen.”
Sommige dingen houden hem bezig. “Kan ik alles waar­maken? Hoe moet het met de kinderen verder als ik ziek word of erger? Dat zou vooral voor de jongste kinderen grote gevolgen hebben. Ik wil hen veilig naar volwassenheid begeleiden.”

Resultaten ziet Peter genoeg. “De tweeling heeft het leven goed op de rails. Ze hebben allebei een rijbewijs, zijn ver gevorderd met hun opleiding en een van hen heeft al vijf jaar een stabiele relatie. De twee jongste meisjes hebben meer vertrouwen in volwassenen gekregen. Ik zie dat ze wat onbezorgder kind kunnen zijn. Het zijn de ‘kleine’ dingen die mij gelukkig maken: een kind dat ons huis als thuis beschouwt of zegt dat ze het lekkerst slaapt in haar eigen bed. Het gaat erom de kinderen zoveel mogelijk hun jeugd terug te geven en een toekomst te bieden. Hoe het verlopen is met de tweeling, geeft mij vertrouwen dat ik het er ook goed van afbreng met de jongste twee.” <

Eric Jansen

 

 


Tags: ,