Van riskant naar serieuze optie

Bij netwerkpleegzorg worden kinderen verzorgd en opgevoed door familieleden (vaak grootouders, ooms of tantes) of bekenden (zoals buren en onderwijzers). Het is meer en meer beleid geworden om naar de mogelijkheden binnen het netwerk te kijken als opvang buiten het gezin nodig is. Hoe is netwerkpleegzorg ontstaan en is er wetenschappelijke onderbouwing voor deze keuze?

Groei netwerkpleegzorg
In Nederland stijgt het aantal kinderen dat tijdelijk of langdurig met pleegzorg te maken krijgt al jaren. Daarbij gaat de toename van netwerkpleegzorg gelijk op met de toename van bestandspleegzorg (plaatsing bij onbekende pleegouders van een wachtlijst). Het gaat steeds om ongeveer 40 procent netwerkplaatsingen en 60 procent bestandsplaatsingen. In 2012 werden er in totaal 10.710 nieuwe pleegzorgplaatsingen gerealiseerd waarvan 4284 (40 procent) netwerkplaatsingen (www.pleegzorg.nl). Het is niet bekend hoe de verhouding is tussen plaatsing bij familie en plaatsing bij bekenden.

Ook in andere landen zoals Engeland, Amerika, Australië en Scandinavië neemt netwerkpleegzorg of ‘kinship’ (binnen de familie) pleegzorg toe. In Vlaanderen neemt netwerkpleegzorg een substantiële plaats in: 55 procent van de pleegzorg bestaat daar uit netwerkplaatsingen (waarvan 40 procent bij familie en 15 procent bij bekenden) (www.pleegzorgvlaanderen.be).

Terugblik en huidig beleid
Enkele tientallen jaren geleden was het kiezen voor netwerkpleegzorg helemaal niet zo vanzelfsprekend. Integendeel, het plaatsen van een kind binnen de familie werd als riskant gezien. Er werd geredeneerd vanuit de gedachte dat de ouder de opvoeding niet aankon omdat hij of zij zelf uit een verwaarlozend of mishandelend gezin kwam; door het kind in dezelfde familie te plaatsen zou het kind worden blootgesteld aan dezelfde risico’s.

Toch kwam opvang in het netwerk in de praktijk steeds vaker voor en groeide het besef dat het over één kam scheren van het hele netwerk van de ouder te eenzijdig was; vaak waren er familieleden of bekenden die wel iets te bieden hadden. Ondertussen is het beleid erop gericht om – als dat mogelijk is – opvang binnen het eigen netwerk te realiseren. Dit beleid sluit aan bij denkbeelden dat de eigen kracht van families benut moet worden en ook bij internationale verdragen die uitgaan van de rechten van het kind (in dit geval het recht om binnen de eigen familie op te groeien). In het Haags Adoptieverdrag is opvang van het kind binnen de familie bijvoorbeeld een allereerste optie die overwogen moet worden alvorens tot adoptie door anderen mag worden overgegaan.

Sterke kanten en mogelijke zorgen
Een groot voordeel van netwerkpleegzorg is dat het kind meer continuïteit wordt geboden. Bij de plaatsing (en ook bij eventuele terugplaatsing) blijft het kind in dezelfde familie (of bij bekenden) en in de cultuur die hij gewend is. Hij wordt niet bij onbekenden geplaatst, maar bij mensen die hij kent en met wie hij vaak al een band heeft. Het kind kan dan terugvallen op vertrouwde gehechtheidsfiguren en zal daardoor minder stress en trauma’s van de plaatsing ondervinden. Vanuit het oogpunt van gehechtheid is deze continuïteit van groot belang.

Uit wetenschappelijk onderzoek en de praktijk blijkt echter ook dat er punten zijn om rekening mee te houden. Netwerkpleegouders zijn vaker ouder, armer, lager opgeleid en minder gezond dan bestandspleegouders, factoren die nadelig kunnen uitwerken op de opvoeding. Ook kan de bestaande band tussen pleegouders en biologische ouder het maken en nakomen van nieuwe afspraken in de weg staan.

Wetenschappelijk onderzoek
Wat weten we vanuit onderzoek over hoe netwerkpleegzorg uitwerkt voor kinderen? Ondersteunt wetenschappelijk onderzoek de beleidskeuze om netwerkpleegzorg als een serieuze optie te overwegen?

Er zijn redelijk wat wetenschappelijke studies uitgevoerd (hoewel ze lang niet allemaal een schoonheidsprijs verdienen wat betreft een degelijke opzet en uitvoering) waarbij bestandspleegzorg en netwerkpleegzorg met elkaar werden vergeleken. Een internationale overzichtsstudie van 62 onderzoekenNOOT1 en recente onderzoeken uit NederlandNOOT2, VlaanderenNOOT3, Amerika, Canada, en EngelandNOOT4 geven opvallend eensluidend aan dat netwerkpleegkinderen vaker in hun eerste plaatsing zitten en blijven vergeleken met bestandspleegkinderen die meer overplaatsingen meemaken. Bij netwerkpleegzorg wordt de eerste plaatsing minder vaak afgebroken dan bij bestandspleegzorg en dit betekent meer stabiliteit voor netwerkpleegkinderen. Terwijl de plaatsingen langduriger zijn, kunnen de netwerkpleegouders wel met stress kampen, aldus het onderzoek in EngelandNOOT4, omdat de pleegouders ondanks moeilijkheden toch doorgaan.

Bij meerdere onderzoekenNOOT1,3 werd tevens gevonden dat netwerkpleegkinderen minder gedragsproblemen hebben dan bestandspleegkinderen. Dit kan deels verklaard worden. Netwerkpleegkinderen maken gemiddeld minder overplaatsingen mee. Ook is uit eerder onderzoek bekend dat meer overplaatsingen verband houden met meer gedragsproblemen bij pleegkinderen.

In het Vlaamse onderzoekNOOT3 werd wel een punt van zorg gevonden. Hoewel het aantal bezoeken van de biologische ouders aan hun kind niet verschilde bij netwerk- en bestandspleeggezinnen, rapporteerden de pleegzorgwerkers dat de biologische ouders een betere relatie hadden met bestandpleegouders dan met netwerkpleegouders. Het blijft dus belangrijk om biologische ouders en netwerkpleegouders hierin goed te ondersteunen en te begeleiden.

Zorg voor verwanten
Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat er reden is om voor netwerkpleegzorg te kiezen als dat mogelijk is: het biedt continuïteit en een goede kans dat het kind niet overgeplaatst hoeft te worden. Door overplaatsingen te voorkomen wordt het risico op gedragsproblemen verkleind. Een mogelijke verklaring voor de positieve uitkomsten van netwerkpleegzorg is de wetenschappelijk aangetoonde neiging van dieren en mensen om voor verwante kinderen (jongen) te zorgen wanneer en zolang dat nodig is en die zorg te bieden ook als dat (veel) inspanning en spanning betekent. Deze opofferingsgezindheid en familiegevoelens kunnen positief uitwerken voor netwerkpleegkinderen omdat ze zo een onvoorwaardelijk thuis krijgen. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat netwerkplaatsingen de nodige (in)spanning vergen en dat ondersteuning van het hele netwerk voorwaarde is voor geslaagde uitkomsten.

Literatuur

NOOT1 Winokur, M., Holtan, A., & Valentine, D. (2009). Kinship care for the safety, permanency, and well-being of children removed from the home for maltreatment. Cochrane Database of Systematic Reviews.

NOOT2 Strijker, J, Knorth, E.J., & Knot-Dickscheit, J. (2008). Placement history of foster children: A study of placement history and outcomes in long-term family foster care. Child Welfare.

NOOT3 Vanschoonlandt, F., Vanderfaeillie, J., Van Holen, F., & De Maeyer, S. (2012). Een vergelijkend onderzoek van netwerk- en bestandpleegzorg in Vlaanderen. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk.

NOOT 4 Farmer, E. (2008). How do placements in kinship care compare with those in non-kin foster care: Placement patterns, progress and outcomes? Child and Family Social Work.

 

 


Tags: , ,