Factor 50

“Hoi, mam.” Naomi komt binnen, dropt haar zoon Levy van twee in de tuin en ploft op de bank. Niet lang daarna zie ik mezelf zitten, heel idyllisch, een perfect plaatje uit een tijdschrift voor grootouders: Oma zit in de tuin en drinkt een kopje koffie, de hond aan haar voeten. De zon schijnt, het is warm. Haar kleinzoon zit in de zandbak en bespreekt zijn verrichtingen en plannetjes. Volop sjouwend met schepjes zand en een emmertje water verlangt hij niet meer dan woorden als “oh ja” of “wat een mooie berg.”

Ik laat de bespiegelingen voor wat ze zijn en roep Naomi. “Heb je Levy wel ingesmeerd?” Ik krijg geen antwoord. Ik weet niet precies waar ze is of wat ze nu doet. Zich opmaken? Telefoneren? Achter de computer? Het zou allemaal zo maar kunnen.

Beschermende factoren: dat schiet door mijn hoofd. De laatste tijd heb ik vaak gehoord dat de omgeving ons ziet als ‘beschermende factor’ in zijn opvoeding. Bescherming tegen teveel onrust en willekeur. Maar hoeveel bescherming moeten en kunnen we inzetten? Hoe hoger de beschermings­factor hoe beter de bescherming? Maar te hoog is onnodig en levert strijd en afstand op, daarmee bescherm je dus niets. Een lage beschermingsfactor is misschien te weinig.

Ik weet niet wat goed is en krijg geen reactie op mijn vraag. Ik pak vandaag maar factor 50. De zon brandt behoorlijk op zijn blote lijfje.


Tags: ,