Een mooi verhaal

Ruim veertig jaar geleden startten Jan en Francien van Lieshout hun carrière als pleegouders. Het begon met een advertentie in de krant: ‘echtpaar gezocht voor een gezin van vier kinderen.’ Ook als professional kwam Jan van Lieshout in die tijd met pleegzorg in contact. Hij werd als journalist benaderd met de vraag of hij samen met het bestuur het tijdschrift Mobiel kon ondersteunen, op­dat Mobiel meer toekomst zou krijgen. Dat is gelukt!

40 jaar pleegouder

Het pleegouderschap begon in 1972 met genoemde advertentie. Van Lieshout was journalist bij het Tijdschrift voor Maatschappelijk Werk en ging, deels vanuit professionele belangstelling, naar de informatieavond. “Eens kijken wat die plannen inhouden.” Zijn vrouw ging mee voor de gezelligheid. Aan het eind van die avond hadden ze zich opgegeven. Zes maanden en negen gesprekken later woonden ze in een huis met vijf kinderen en hun eenjarige baby. Zowel privé als vanuit zijn werk had hij met pleegzorg te maken. Hij vertelt veel en geeft graag zijn mening: over de ontwikkeling van pleegzorg en hoe belangrijk het is om alle deskundigheden van mensen te gebruiken. Regelmatig zegt hij middenin het gesprek ineens: “Dat is ook een mooi verhaal.” Om vervolgens opnieuw een relevant pleegzorgonderwerp aan te snijden. Volgens hemzelf verleden tijd, maar vaak zijn de ‘oude’ onderwerpen verrassend eigentijds.

Gezinshuis anno 1972
In het toenmalige kinderhuis Amstelstad verbleven kinderen die niet meer naar huis konden. Ze woonden in leefgroepen rondom het hoofdgebouw. Het tehuis zocht naar een meer normale leefvorm voor deze kinderen, met gewone scholen en contacten met buurtkinderen. Daarvoor werd een gezinshuisconcept ontwikkeld, dat in deze vorm niet meer bestaat. Van Lieshout: “Expliciet werd vermeld dat een huis werd gekocht voor de kinderen, het echtpaar werd toe­gevoegd. Als het mis ging, moest het echtpaar eruit.

Om het helemaal zuiver te maken, werd het huis ingericht met financiële middelen van de stichting. Behalve onze slaapkamer, die moesten we zelf inrichten en betalen. Dat was symbolisch om te laten zien dat niets van jou is, behalve je eigen slaapkamer. Wij vonden dat een fantastisch uitgangspunt, het was het huis van de kinderen.”

Familiecontact
“Een ander uitgangspunt dat ons aansprak was het streven om familiecontacten zoveel mogelijk te behouden. De kin­deren kwamen uit één gezin en hun moeder was overleden. We hebben met de kinderen, hun vader en iemand van het kinderhuis een voorgesprek gehad over het gezinshuis. De bedoeling was dat iedereen achter deze constructie stond. Het rare was dat overige familie, ook tantes en ooms waar de kinderen hadden gewoond, onbekend was bij de organisatie.

Hun vader mocht op bezoek komen na afspraak met de organisatie: wij moesten beschermd worden. In onze situatie paste dat niet. Hij woonde dichtbij en al snel kwam hij zonder afspraak. We hadden een kleurentelevisie, dat was nieuw in die tijd, dus hij kwam bij ons televisiekijken. Hij was bij alle feesten en etentjes, evenals oma.
Als pleegouder zet je natuurlijk je beste beentje voor, maar als je merkt dat je in een wereld van wantrouwen verkeert, moet je sterk zijn om ouders te vertrouwen. Ik heb zelf moeten leren dat vader en oma ‘oké-mensen’ waren.” Over de beëindiging van een gezinshuis was niet nagedacht. “Dat was bij andere gezinshuizen een probleem, niet bij ons. Hun vader is na een aantal jaren overleden. Wij vonden het voor de hand liggen dat de voogdij over de nog minderjarige kinderen bij ons zou komen. Met het uitspreken van de voogdij stopte meteen alles wat met pleegzorg te maken had.”

Van gezinshuis naar familie
In de advertentie werden vier kinderen genoemd, dat bleken er vijf te zijn. “Dit tekent de zorg van die tijd, ze kenden dus maar vier kinderen. De kinderen zagen elkaar alleen bij oma. De vijfde, de oudste, woonde in een andere instelling. Hij hoorde bij oma over het gezinshuis en wilde daar ook wonen. Dus woonden er zes kinderen in het nieuwe huis. We hebben het huis ingericht samen met de kinderen.

Voor mij was het gevoel belangrijk dat zij in hun huis op hun stoel zaten en niet op de mijne. Het oudste meisje had de regulerende rol. Die rol is in ons huis gewoon voortgezet. ‘Wat kook jij voor mijn broertjes?’ vroeg ze. De jongste heeft ons nog lang ‘de leidings’ genoemd. In het begin hielden we de sfeer van de leefgroep aan: in het weekend brachten we hen naar hun leefgroep, favoriete groeps­leiding kwam langs.

Dat ging snel over. Buitenspelen durfden ze niet. Misschien raar, maar ik ging gewoon knikkeren en voetballen op straat met hen en de buurtkinderen. Onze dochter was toen pas een jaar oud. Ze weet niet beter. Samen eten, samen wonen, samen leven: dat is verwantschap. De pleegkinderen, hun familie en onze familie zijn voor haar en voor ons gewoon één familie.”

Tijdschrift Mobiel
In 1982 werd Van Lieshout bestuurslid van Mobiel. Hij dacht mee over hoe het tijdschrift kon overleven in de economische crisis van die dagen. Ook verzorgde hij een tijdje de eindredactie. Op de vraag naar belangrijke onderwerpen uit die periode noemt hij meteen het Levensboek en de aandacht voor eigen kinderen. “Kinderen van pleegouders waren volledig uit beeld bij instanties. Ik heb voorlichtingsavonden over alleen dit onderwerp gegeven. Kinderen helpen mee, ze zien veel en zeggen er soms helemaal niets over.”

Meer dan pedagogiek
Pleegouders hebben door hobby’s of een beroep kwaliteiten die ze voor pleegkinderen kunnen inzetten. Hij vindt dat die kwaliteiten te weinig worden gebruikt. Hij stelt zelfs voor om pleegzorg uit de jeugdzorg te halen. “Jeugdzorg bestaat alleen uit pedagogen. Ze zijn goed met opvoeden, maar hebben geen contacten met bijvoorbeeld huisvestings­organisaties en schuldsanering. Er is geen netwerk. Dat is jammer, omdat het bijna nooit zo is dat kinderen alleen opvoeding nodig hebben. Pleegouders gaan voor hun kinderen de boer op, ze gaan naar school, zoeken mee naar stageadressen en werk, regelen financiën.”

Familieman
Hij praat enthousiast over pleegzorg, maar is toch vooral de familieman die stiekem heel trots is op de kinderen. “Ze zijn nu tussen de 42 en 56 jaar. Wij hebben met alle kinderen nog contact. In die zin hebben we geboft. Ik denk wel dat ik meegewerkt heb aan hun proces om verlies om te zetten naar een gelukkig leven. Een langdurig proces, want uithuisplaatsing is een enorme ingreep!” Bij de start van het gezinshuis had hij een persoonlijke doelstelling. In de reclassering kwam hij veel mensen tegen die vroeger jeugdzorg hadden gehad en daar weer met hun kinderen terechtkwamen. “Deze spiraal wilde ik doorbreken. De herhaling is bij ons niet gebeurd. Ze hebben allemaal een huis, een baan, een gezin. Geweldig!” <

 

 

 


Tags: ,