Voorschriften pleegouderschap

In de wet op de jeugdzorg worden de volgende eisen gesteld aan pleeg­ouderschap:
1. De pleegouder is minimaal 21 jaar oud.
2. De pleegouder mag niet namens de betreffende pleegzorginstel­ling zelf pleegouderbegeleiding bieden.
3. De pleegouder heeft met goed gevolg een voorbereidings- en selectietraject van de pleegzorginstelling afgerond.
4. De pleegouder beschikt over een Verklaring van Geen Bezwaar, afgegeven door de Raad voor de Kinderbescherming.
De pleegzorginstelling controleert of hieraan is voldaan.

Voorbereiding en selectie
De pleegzorginstelling beoordeelt voorafgaand aan de plaatsing of de jeugdige in het gezin van de aspirant-pleegouder kan worden geplaatst, gelet op leeftijd en problemen van de jeugdige, samenstelling van dit gezin en verwachte duur van de plaatsing. Indien de jeugdige al wordt verzorgd en op­gevoed door de pleegouder, kan het voorbereidings- en selectietraject plaatsvinden tijdens het verblijf van de jeugdige in dit gezin. Voor­waarde is dat de pleegzorginstelling heeft vastgesteld dat het verblijf niet schadelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige. Op termijn worden nadere eisen gesteld aan de wijze waarop aspirant-pleegouders worden voorbereid en geselecteerd. Pleeg­zorg­instellingen hebben nu veelal eigen werkwijzen voor onderzoek op geschiktheid. De beslissing van de pleegzorginstelling met betrekking tot geschiktheid werd tot voor kort in de rechtspraak aangemerkt als een beslissing waartegen bezwaar kan worden aangetekend (en eventueel beroep ingesteld bij de bestuursrechter). Door de recente uitspraak van de Raad van State is dit niet meer mogelijk. De laagdrempelige procedure voor (aspirant-)pleegouders is hiermee komen te vervallen(1). Dit betekent dat pleegouders op grond van het overeenkomstenrecht zich tot de rechter moeten wenden. In de praktijk is dat een langdurige (dagvaardings) procedure waarbij bijstand van een advocaat verplicht is.

Verklaring van Geen Bezwaar (VGB)
De Raad voor de Kinder­bescher­ming beslist over de VGB. Deze wordt veelal verzocht door de pleegzorginstelling, maar de aanvraag komt officieel van de aspirant-pleegouder. Deze tekent een toestemmings­verklaring waarmee de pleegzorginstelling de Raad vraagt om een VGB voor de aspirant pleegouder. De Raad onderzoekt of deze geen strafbare feiten heeft gepleegd die een risico kunnen zijn voor het opvoeden van kinderen. Ook gaat de Raad na of de aspirant-pleegouder met betrekking tot eventuele eigen kinderen te maken heeft gehad met een kinderbeschermingsmaatregel.
Een VGB is ook vereist voor alle personen van 12 jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven. Een (nieuwe) VGB is bovendien vereist indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest. De VGB moet zijn afgegeven voor aanvang van de verzorging en opvoeding van het pleegkind. Indien de jeugdige al wordt verzorgd en opgevoed door de pleegouder, kan de VGB ook tijdens het verblijf in het gezin van de pleegouder worden aangevraagd. Voorwaarde is dat de pleegzorginstelling heeft vast­gesteld dat het verblijf van de jeugdige niet schadelijk is voor zijn ontwikkeling. Op de aanvraag­procedure voor een VGB is wel de algemene wet bestuursrecht van toe­passing. Dit betekent dat de (aspirant) pleegouder tegen het besluit van de Raad voor de Kinder­bescherming bezwaar kan aantekenen. Ook in de pas verschenen Regeling Pleegzorg 2013, die per 1 juli 2013 in werking trad, worden nadere eisen gesteld aan het pleeg­ouderschap. Hierover leest u meer in de volgende rubriek.

 

 

 

 


Tags: ,