Screening bij adoptie en pleegzorg

Wanneer ben je geschikt om voor het kind van een ander te zorgen? Deze vraag speelt niet alleen bij pleegouders, maar ook bij mensen die een kind willen adopteren. Tim de Jong sprak met Juul Polders, adviseur beleid bij de Raad voor de Kinderbescherming, over de wijze waarop adoptieouders worden gescreend en de verschillen met pleegzorg.

Wie in Nederland de zorg voor een kind van een ander op zich wil nemen, kan zich aanmelden bij een pleegzorgorganisatie of bij de Stichting Adoptievoorzieningen. Die keuze vooraf bepaalt het te doorlopen traject in twee van elkaar gescheiden circuits. Screening en voorbereiding van pleegouders vindt plaats bij een van de 28 pleegzorginstellingen. Wie wil adopteren, krijgt een voorlichtingscursus bij de Stichting Adoptievoorzieningen en wordt gescreend door de Raad voor de Kinderbescherming.

Juul Polders is betrokken bij de screening van adoptieouders, maar ook bij de aanvullende taak van de Raad bij de pleegouderscreening: de afgifte van een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB). Zij ziet zowel verschillen als overeenkomsten in de eisen die aan adoptieouders en pleegouders worden gesteld. Het kunnen bieden van een veilige leefomgeving is een criterium dat voor beiden geldt. Zo ook het beschikken over opvoedingsvaardigheden en het kunnen inschatten wat de zorg voor een kind met een ‘rugzakje’ met zich meebrengt.

De verschillen tussen adoptie en pleegzorg brengen daarnaast specifieke eisen met zich mee. Polders: “Bij adoptie word je juridisch ouder van een kind. Dit betekent niet alleen 7×24 uur ouderlijke zorg, maar ook dat er geen weg terug is als het tegenvalt. Dat is een enorme verantwoordelijkheid.” Een ander verschil is dat van pleegouders wordt gevraagd om samen te werken met de biologische ouders van het kind. In het geval van adoptie wonen de ouders meestal in een ver buitenland en is er geen of weinig contact mogelijk. Polders: “Maar dit is laatste tijd aan het veranderen. Door de komst van sociale media komt die moeder in Taiwan of de Verenigde Staten nu dichterbij dan vroeger. Daar moeten ook adoptieouders rekening mee houden.”

Screening
Het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming uitvoert bij aspirant-adoptieouders staat los van de voorlichtingscursus. Die scheiding van taken heeft voor- en nadelen. Polders: “Het voordeel is dat mensen zich in de cursus vrij kunnen voelen om hun twijfels uit te spreken. Aan de andere kant is het soms jammer dat er niets kan worden uitgewisseld tussen de cursusleider en de Raadsonderzoeker.” Bij pleegzorg is het gezinsonderzoek en de voorbereidende training vaak een geïntegreerd programma dat wordt uitgevoerd door dezelfde professional. Hierdoor krijgt deze ook in de training zicht op de competenties van de aspirant-pleegouder.

Een ander verschil is dat de adoptiescreening in handen is van één organisatie met een verplichte landelijke richtlijn voor het onderzoek, terwijl de 28 pleegzorginstellingen hun eigen koers kunnen varen. Voor deze organisaties bestaat er sinds 2011 weliswaar een landelijk ‘Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening Pleegouders’, maar deze richtlijn heeft geen verplicht karakter.

Geschikt of ongeschikt
Biedt het screeningsproces voldoende basis voor een juiste beslissing over iemands geschiktheid? Die vraag is moeilijk te beantwoorden. Zowel pleegouders als adoptieouders komen soms voor situaties te staan waarin zij de zorg voor het kind niet meer aan kunnen. In hoeverre zegt dit achteraf iets over hun ‘geschiktheid’? Polders: “Het is lastig om te achterhalen in hoeveel gevallen de beslissing tot het geven van een positief advies niet de juiste is geweest. Er komt immers ook nog een traject van matching achteraan. Elke keer dat het fout gaat met een adoptie, zie ik wel als een signaal dat we moeten blijven werken aan verbetering van het onderzoek. Het kan zijn dat er niet diep genoeg is doorgevraagd of niet gezien is dat mensen bewust informatie achterhouden. Of de raadsonderzoeker en de mensen zelf waren overtuigd van hun mogelijkheden, maar bleken vervolgens toch onvoldoende in huis te hebben voor de specifieke gedragsproblemen van hun kind. Wat soms ook een rol speelt zijn onverwachte levensgebeurtenissen, zoals een scheiding of het verliezen van werk. Die dingen zijn niet te voorspellen, maar hebben grote invloed. Je kunt nooit helemaal uitsluiten dat het fout gaat in een adoptiegezin.”

Veiligheid
Sinds een aantal jaren krijgt de veiligheid van pleegkinderen veel aandacht, niet in de laatste plaats door incidenten die (onder andere door de inspanningen van de Commissie-Samson) naar buiten zijn gekomen. In het Kwaliteitskader wordt een jaarlijkse ‘veiligheidscheck’ aanbevolen: als de pleegzorginstelling hier aanleiding toe ziet, kan zij de pleegouders heronderzoeken en een nieuwe VGB aanvragen waarbij alle inwonenden van 12 jaar en ouder worden gescreend.

Bij adoptie is de situatie anders: ben je eenmaal juridisch ouder, dan kan er geen herscreening worden opgelegd. Polders: “In het gezinsonderzoek van adoptieouders kijken we of mensen in staat zijn om hulp te zoeken wanneer dit nodig blijkt. Als mensen heel gesloten zijn of een houding hebben van ‘ik los het zelf wel op’, zien we dit als een contra-indicatie.”

Bij de adoptiescreening is het al langere tijd gebruikelijk dat ook de LAT-relatie van een aspirant-adoptieouder wordt gescreend. Recent is dit ook bij de justitiële pleegzorgscreening ingevoerd. Polders: “Maar je kunt niet het hele sociale netwerk screenen. Dat houdt ergens op. Er is wel eens gevraagd of we ook de oppas konden screenen. Het antwoord daarop is dat de pleegouder zelf, vanuit zijn rol als werkgever, aan de oppas kan vragen om een Verklaring Omtrent het Gedrag te overleggen. Ik vind het goed om die verantwoordelijkheid bij de pleegouder zelf te leggen.”

Apart of samen?
Polders vindt dat pleegzorg en adoptie veel van elkaar kunnen leren wat betreft de screeningsprocedure, maar ze gaat nog een stap verder. Ze zou graag zien dat adoptie en pleegzorg een gemeenschappelijk voortraject krijgen. Met als start een uitgebreide voorlichting over beide vormen van vervangend ouderschap. Pas daarna kunnen mensen dan de keuze maken voor adoptie of pleegzorg. Polders: “Ik vind het nu iets wonderlijks hebben dat er adoptieouders zijn die een verstandelijk gehandicapt buitenlands kind in hun gezin willen opnemen, maar niet beseffen dat er ook Nederlandse verstandelijk gehandicapte kinderen op een gezin wachten. In een gemeenschappelijk traject krijgt iedereen dezelfde informatie, waardoor sommigen misschien een andere keuze gaan maken dan ze zelf aanvankelijk voor ogen hadden. Bovendien ‘verliezen’ we nu soms mensen: aspirant-pleegouders die worden afgewezen vanwege een te ‘adoptieve’ instelling zijn misschien wel geschikt voor adoptie. Uiteindelijk gaat het om het vinden van zo veel mogelijk geschikte vervangende ouders voor alle kinderen die een vervangend gezin nodig hebben.


Tags: , ,