Mogen kinderen alles weten?

We leren kinderen dat ze de waarheid moeten vertellen en dat liegen niet goed is, maar vertellen we zelf wel altijd de waarheid? Vaak gebruiken volwassenen zogenaamde ‘leugentjes om bestwil’, want de waarheid kan hard en vervelend zijn. Waarschijnlijk worstelen veel pleeg­ouders met de vraag wat ze hun pleegkind wel of niet kunnen vertellen. Wanneer informeer je een pleegkind over zijn achtergrond en wat vertel je dan? Je probeert een kind niet te kwetsen of te belasten met negatieve informatie over zijn ouders.

We legden deze vragen voor aan twee deskundigen: Hans Grietens, hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijks­universiteit Groningen en Tonny Weterings, voorheen senior onderzoeker pleegzorg aan de Universiteit Leiden bij de afdeling Orthopedagogiek. Pedagoge Weterings is het meest uitgesproken in haar mening. “Bureau Jeugdzorg zegt tegen pleegouders dat zij op een positieve manier over de ouders van het kind moeten praten, bijvoorbeeld voor en na contacten met de ouders. Tegelijkertijd moeten pleeg­kinderen wel weten waarom zij niet thuis kunnen wonen.
Kinderen denken vanuit zichzelf. Als zij van hun pleeg­ouders horen dat hun moeder lief is, denken ze misschien dat ze uithuis zijn geplaatst, omdat zij stout en vervelend waren.” ‘Als moeder toch zo lief is’, zoals iedereen zegt, ‘waarom kan ze dan niet voor mij zorgen? Moeders van vriendjes zijn ook lief en kunnen wel voor hun kinderen zorgen. Waarom mijn moeder dan niet?’

Verwarrend wereldbeeld
Kinderen kunnen volgens Weterings ook een verkeerd beeld krijgen als zij zelf in de thuissituatie hebben ervaren dat hun moeder of vader niet lief was, kortaf of boos was, sloeg of hun weinig aandacht gaf. “Het ‘wereldbeeld’ wordt dan heel verwarrend voor het kind. Het klopt niet.
Kinderen kunnen dan nog meer het gevoel krijgen dat zij zelf de schuld waren van de uithuisplaatsing. Ze kunnen zich sterk gaan aanpassen in het pleeggezin, zich ‘netjes’ gedragen, in de hoop dat ze dan wel weer bij hun ouders mogen wonen, zoals alle andere kinderen. Dergelijke processen bevorderen de ontwikkeling van het kind niet, omdat het een negatief zelfbeeld krijgt en zich niet durft te verlaten op de pleegouders. Het kind zal dan ook hun gezag moeilijker kunnen aanvaarden.”

Recht op eigen levensverhaal
Grietens sluit zich hierbij aan. “Ieder kind heeft recht op zijn levensverhaal. Zonder dat ‘eigen’ verhaal kan een kind zich niet goed ontwikkelen in de puberteit. Pleegouders die onjuiste antwoorden geven, wanneer een pleegkind bijvoorbeeld vraagt naar de problemen van zijn ouders en zijn uithuisplaatsing, maken het moeilijker om later het gesprek aan te gaan over andere levensvragen. Pleegouders die open en oprecht ingaan op vragen, verwerven het vertrouwen van kinderen door hun het gevoel te geven dat ze serieus worden genomen. Vertrouwen in de (pleeg)ouder en in zichzelf zijn de pijlers voor een gezonde geestelijke ontwikkeling van elk kind.”

Een niet geheel juist antwoord kan verkeerd uitpakken, waarschuwen Weterings en Grietens. “Het kind kan het gevoel krijgen dat over zijn situatie verkeerde informatie is gegeven, waardoor veel vroegere ervaringen die onbegrijpelijk voor hem waren ook zo blijven”, aldus Weterings. “Hij kan zijn pleegouders niet vertrouwen, niet over zijn vroegere ervaringen, niet over zijn ouders en dan – dus – ook niet over andere zaken.” Grietens valt haar hierin bij. “Een kind voelt aan dat er iets speelt wat niet uitgesproken wordt Dat kan een gevoel van onveiligheid veroorzaken”, legt de hoogleraar uit.

Eerlijke antwoorden
“Kinderen geven zelf wel signalen af wat ze willen weten of ze vragen ernaar”, stelt Grietens. Hij pleit ervoor dat pleeg­ouders eerlijke antwoorden geven. Hij roept hen op om het gesprek aan te gaan met hun pleegkind, wanneer ze merken dat het kind vragen heeft. Natuurlijk moet rekening worden gehouden met de achtergrond en problematiek van de ouders en pleegkinderen: wat heeft een kind meegemaakt, hoeveel weet het kind nog en wat heeft het weggestopt of verdrongen? Grietens vindt dat een pleegouder er goed op moet letten wat een kind cognitief al aankan. “De informatie moet eerlijk, maar ook leeftijdsadequaat zijn. Een kind moet de antwoorden kunnen snappen. Als een kind vraagt waarom het niet thuis kan wonen, is een vaag of ontwijkend antwoord slechter dan geen antwoord”, vindt de hoogleraar. “Dus niet zeggen ‘je ouders konden niet goed voor je zorgen’. Je moet kinderen met simpele voorbeelden uit het dagelijkse leven duidelijk maken wat er niet goed ging. Bijvoorbeeld: ‘Weet je nog dat je soms zonder ontbijt en tussendoortje naar school ging? En dat je dan met honger in de klas zat, terwijl andere kinderen wel koekjes of fruit bij zich hadden?’ Moeilijke verhalen moet je vertalen, bijvoorbeeld naar het niveau van een zesjarige.”

Weterings is van mening dat een heel jong kind, vanaf een jaar of twee, al vragen kan stellen over zijn ouders. “Dan moet er antwoord gegeven worden op het niveau van het kind. Dat hoeft niet in alle detail, maar de kern moet wel waarheid bevatten. Als het kind ‘echt’ antwoord heeft gekregen, gaat het ook op latere tijdstippen vragen stellen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een televisie-uitzending of een ervaring van een vriendje, waardoor het de eigen ervaringen kan gaan begrijpen. Het kind heeft dan voldoende vertrouwen gekregen dat het ook over moeilijke zaken vragen kan blijven stellen. Dit bevordert de band tussen kind en pleegouders.”

Informatie voor pleegkinderen
Beide deskundigen pleiten ervoor dat er meer aandacht komt voor het informeren van pleegkinderen. Dit kan bijvoorbeeld door een zogenoemd ‘Levensboek’ verplicht onderdeel te maken van de begeleiding van een pleegkind.
Grietens kan zich zelfs voorstellen dat van de jaarlijkse OTS-rapportages een kinderversie wordt opgesteld. Op dit moment is wettelijk vastgelegd dat wanneer een pleegkind 12 jaar of ouder is, een hulpverlener het hulpverleningsplan met het kind moet bespreken. In dat plan staat welke hulp het kind krijgt en wat het doel is, maar ook, zwart op wit, wat zijn voorgeschiedenis is. Het kan zeer confronterend zijn om dit te lezen. Grietens noemt die leeftijdsgrens van 12 arbitrair. “Dit is iets wat in een wet is vastgelegd, maar waarvoor vanuit de pedagogiek en gedragswetenschap geen onderbouwing is. Ieder kind is uniek en ieder kind is op zijn of haar tijd toe aan bepaalde informatie. Een kind moet niet pas wanneer het 12 jaar is in rapporten van Jeugdzorg lezen waarom het uithuis is geplaatst en wat het heeft meegemaakt als jong kind. Kinderen hebben het nodig om dit al veel eerder te weten. Ze moeten duidelijke en eerlijke antwoorden krijgen, waardoor ze hun verleden kunnen verwerken. Volgens Weterings zal Bureau Jeugdzorg de pleegouders hierbij moeten ondersteunen.

 ======
KADER
======

Tonny Weterings schreef samen met Peter van den Bergh en andere deskundigen op het gebied van pleegzorg ‘Pleegzorg in perspectief. Ontwikkelingen in theorie en praktijk.’ In dit boek staat het ontwikkelingsbelang van het pleegkind centraal.

Hans Grietens is de auteur van ‘Kleine stemmen, grote verhalen!? Over pleegkinderen in orthopedagogisch onderzoek.’ Hij pleit ervoor om pleegkinderen een ‘stem’ te geven in orthopedagogisch onderzoek.

 


Tags: ,