Als je vader je moeder heeft gedood

Omgang tussen pleegkinderen en de overblijvende ouder

Auteurs: Femmie Juffer en Willemien Kronenberg

Naar schatting zijn er jaarlijks tien gevallen van partnerdoding waarbij de partners samen kinderen hadden of opvoedden. Meestal komen de kinderen daarna in een pleeggezin en speelt de vraag of er contact moet zijn tussen de ouder die de andere ouder heeft gedood en het kind. Mobiel sprak hierover met Arend Groot, maatschappelijk werker bij het Landelijk Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) en coördinator kindermishandeling bij het UMCU. Samen met gezondheidspsycholoog Maaike van Schaijk werkt hij met deze kinderen en pleegouders.

Onlangs werd de vraag actueel of pleegkinderen verplicht omgang moeten hebben met de ouder, wanneer deze ouder de andere ouder van het leven heeft beroofd. Staatssecretaris Teeven antwoordde op Kamervragen dat omgang “niet per definitie wenselijk is en dat, bij de beoordeling van deze wenselijkheid, het belang van het kind voorop moet staan”(1). Van dwingen mag nooit sprake zijn. Teeven vindt dat het initiatief bij het kind moet liggen en dat het onwenselijk is dat de ouder in zulke gevallen recht op omgang heeft. Hij is van plan de wet hierop aan te passen.

Omgang met de gedetineerde ouder
Kinderen die meemaken dat hun vader hun moeder doodt (andersom komt veel minder vaak voor) verliezen hun moeder en moeten afscheid nemen van hun vader die naar de gevangenis of TBS-kliniek gaat. Vaak waren de kinderen getuige van huiselijk geweld en van de fatale gebeurtenis(2). Hoe kijken hulpverleners aan tegen omgang tussen pleegkinderen en de overblijvende ouder? Arend Groot: “Wij vinden dat het recht van het kind voorop moet staan bij het bepalen van omgang met de gedetineerde ouder. Dat recht wordt wel geborgd in de huidige wetgeving, alleen kan de ouder elk jaar opnieuw een verzoek tot omgang indienen bij de rechtbank. Dat kan tot enorme onrust leiden bij verzorgers en kind. We hebben echter ook ervaringen waarbij de omgang tussen kind en daderouder goed verloopt. Het komt ook voor dat het ene kind wel omgang heeft, terwijl een broertje of zusje echt (nog) geen omgang wil.”

Wat vindt Groot van het plan om de wet zo aan te passen dat het initiatief voor omgang bij het kind ligt? “Mijn persoonlijke mening is dat het recht op omgang van de gedetineerde ouder nooit leidend moet zijn, uitzonderingen daargelaten wanneer bijvoorbeeld sprake was van noodweer om het kind te beschermen”, aldus Groot. “Het moet gaan om het recht op omgang van het kind. Onze ervaring is dat ook kinderen onder de twaalf vaak heel goed kunnen aangeven of en waarom ze wel of (nog) geen contact willen met de gedetineerde ouder. Die mening moet zwaar meewegen. We zien echter ook dat de verzorger (onbedoeld) invloed heeft op de mening van het kind. Wanneer het kind bij familie van het slachtoffer woont, bijvoorbeeld bij grootouders, kan het onverdraaglijk zijn om het kind naar de ‘moordenaar’ van de zoon of dochter te laten gaan. Hoewel zeer invoelbaar, spelen emoties van grootouders dan een rol. Omgekeerd, wanneer het kind bij grootouders van de dader verblijft, kan omgang door de grootouders afgedwongen worden, terwijl de daad gebagatelliseerd of, erger nog, vergoelijkt wordt. Het is erg belangrijk om hier aandacht voor te hebben en begeleiding te bieden aan grootouders. Bij het besluit over omgang zou je dus altijd de context moeten betrekken. Belangrijk is of het kind ruimte en steun krijgt om uit te zoeken hoe het contact met de overgebleven ouder kan worden vormgegeven.”

Angst om de ouder te bezoeken
Pleegkinderen die dit hebben meegemaakt, kunnen bang zijn om de ouder te ontmoeten (zie kader). Hoe kunnen pleeggezinnen en pleegzorgwerkers hiermee omgaan? Groot: “Mijn collega, psychologe Maaike van Schaijk, en ik vinden het belangrijk om het kind goed te horen. Een gedragsdeskundige kan gedachten bij het kind onderzoeken. Vervolgens is het van belang om onderscheid te maken tussen reële en niet-reële gedachten. In geval van irreële gedachten kan een bezoek juist bijdragen aan het verminderen van angst. We hebben een keer een jongen gehad die bang was om doodgeschoten te worden bij het bezoek aan vader in de gevangenis. We hebben toen het bezoek zorgvuldig voorbereid met de jongen, pleegouders, pleegzorgwerker, voogd en vader en vervolgens heeft een bezoek plaatsgevonden. Dat hielp, de angst verdween. Later, nadat vader vrij was, werd een vaste omgangsregeling opgestart.”

Recht op informatie
Een dader blijft recht houden op informatie over zijn kinderen (zoals rapporten van Bureau Jeugdzorg), terwijl het kind geen recht heeft op informatie over de rechtszaak of stoornis van de ouder. Hier lijkt het belang van het kind in het geding. Groot: “Dat vind ik erg afhankelijk van de situatie. Als de daderouder het belang van zijn kind voorop stelt en er is contact of er wordt gewerkt aan contact, dan heb ik er geen moeite mee. Wanneer er helemaal geen contact is of het contact is schadelijk gebleken, dan heb ik er wel vragen bij. Nadelig voor het kind wordt het wanneer het rapport van jeugdzorg gaat dienen in een juridische strijd. Zorgvuldige afweging van de inhoud van het rapport is daarom wenselijk. Daarnaast vind ik dat er in gevangenissen en TBS-klinieken meer aandacht moet komen voor de positie van kinderen van gedetineerden.”

Gevolgen
Wat zijn de gevolgen voor kinderen die een dergelijk trauma hebben meegemaakt? Groot: “De kinderen hebben te maken met een driedubbel verlies: de ene ouder is dood, de andere meestal gedetineerd en de kinderen zijn huis en haard en soms ook school en vriendjes kwijt. De kinderen hebben vaak posttraumatische stressklachten. Ze hebben last van herbelevingen (denken aan wat er gebeurd is, nachtmerries, terugkerende beelden), vermijding (niet alleen willen zijn, niet alleen durven slapen) en verhoogde prikkelbaarheid (snel bang, boos en verdrietig, snel schrikken en moeite met slapen en concentreren). Daarnaast zien we regelmatig terugval in gedrag. Kinderen die zindelijk waren, plassen bijvoorbeeld weer in hun broek. Gelukkig zijn er wel evidence-based behandelingen, zoals EMDR en cognitieve gedragstherapie. We pleiten voor directe inzet van pleegzorg, juist ook al in de beginfase, om samen met een voogd en hulpverleners van een traumacentrum de hulpverlening goed af te stemmen.”

(1) Antwoord van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op Kamervragen over verplichte omgang tussen ouder en kind na levensdelicten (27 maart 2013).

(2) Alisic, E., Van Schaijk, M., Groot, A. & Strijker-Kersten, H.A. (2012). Gevolgen van partnerdoding voor kinderen. Kind en Adolescent Praktijk, p. 142-144.

========
KADER
========

‘Twee mannen met geweren en een heel hoge tafel’
Ruim vijf jaar nadat Katja, destijds vier jaar oud, gezien had dat haar vader haar moeder vermoordde, sliep ze weer zonder nachtmerries. Ze speelde niet meer de hele dag moord en gevangenisje. Ondertussen werd duidelijk dat haar chaotische gedrag en de concentratieproblemen niet alleen reactief waren, maar ook gewoon ADHD. Er begon rust in haar lijf te komen. Bureau Jeugdzorg en pleegzorg vonden dat we aan herstel van contact met haar vader moesten gaan werken. Vader zat nog even vast en de kliniek kon hem begeleiden in het proces.

Met Katja praatten we over vader. Al eerder vroegen we bij familie een foto, maar nu spraken we over herinneringen. Er was veel onduidelijk en wij hebben vader nooit gekend. Hoe ziet hij eruit, heeft hij een baard, welke schoenmaat heeft hij en is hij muzikaal? Zingen is namelijk Katja’s lust en haar leven. We gingen eerst als pleegouders kennismaken met vader en keken rond in de TBS-kliniek. Er bleek geen op kinderen toegesneden materiaal te zijn over TBS, dus vader maakte met hulp van de kliniek een filmpje. Ondertussen gingen Katja en ik een keer poffertjes eten met een medewerker van de kliniek. Het bleef spannend, maar de nieuwsgierigheid overwon: “Als er twee mannen met grote geweren zijn en een heel hoge tafel tussen ons in, durf ik het wel”, zei Katja. Vervolgens gingen we een jaar of twee om de twee maanden een uurtje op bezoek. Wel spannend, maar hanteerbaar. Voor vader was het ook lastig. Hij was het contact met de maatschappij kwijt: hij kon zich moeilijk inleven in school en vrijetijdsactiviteiten en voelde zich beperkt door de beschermende maatregelen voor Katja. Ze wilde niet eens gezoend worden.

In de puberteit kregen de contacten weer een andere wending. Katja doorzag dat vader alleen op zijn eigen belang uit was. Al jaren hadden we ingewikkeldheden over verjaarscadeautjes. De wensen van Katja werden nooit helemaal gevolgd, waren keer op keer niet helemaal leeftijdsadequaat. De gesprekken verzandden in confrontaties van een boze puber, die niet openlijk aan durfde te kaarten waarover ze boos was en een vader die zijn eigen straatje schoonveegde. Ook allerlei maatschappelijke en godsdienstige onderwerpen werden met heftig gevoel voor drama met vader bediscussieerd.

Katja hoefde, door omstandigheden geholpen, de confrontatie niet meer aan. Het bezoek werd stopgezet. Wel ging haar eigen proces door in therapie. Ze wilde haar eigen leven leiden zonder allerlei angsten.

De afgelopen jaren heeft de informatievoorziening regelmatig centraal gestaan. Wat is er precies gebeurd, wat ging er aan vooraf, wat heeft de rechter bewezen verklaard en wat gebeurt er nu met vader? Er was een tijd dat vader vertelde dat hij snel weer voor Katja ging zorgen, wat grote paniek opleverde en niet reëel was. Ook vaders visie over het gebeuren week af van die van de omgeving. Verder bleek ‘moord’ doodslag te zijn; alleen bij doodslag blijk je TBS te kunnen krijgen. Katja (nu 16) heeft na een eerdere mislukte poging toch inzage gekregen in het vonnis van de rechtbank en heeft al haar vragen mogen stellen aan een medewerker van de kliniek. Het was ‘berespannend’ en toen we weer buitenstonden was haar verzuchting: “Eigenlijk wist ik alles al, maar nu weet ik het zeker” en “Ze houden niets meer voor mij achter.”

Katja gaat nu haar eigen leven vormgeven, na twaalf jaar traumaverwerking, maar Bureau Jeugdzorg begrijpt dat nog niet. Onlangs vroegen ze toch weer om brieven aan vader te schrijven. Vader gelooft niet dat Katja geen contact meer wil.

Pleegmoeder Anneke

 


Tags: ,