‘Nu ben ik de oudste!’

Iris (41) en Frans (44) wonen in een Brabants dorp met zoon Maarten (13) en, sinds anderhalf jaar, pleegzoon Jelle (8). Frans is machinetekenaar en Iris werkt in een gezinsvervangend tehuis voor kinderen met een verstandelijke beperking. Iris: “Door onze verschillende werktijden kunnen we de zorg goed combineren.” Maarten heeft PDD-NOS en zit op het voortgezet onderwijs. De kinderen kunnen het goed met elkaar vinden. Frans: “Als zij geen klik hebben, wordt meedraaien in een gezin lastig en is ook het begeleiden voor ons lastig.”

Hoe kwam u ertoe om pleegouder te worden?
Frans: “We zijn met pleegzorg begonnen, omdat wij geen eigen kinderen meer konden krijgen. Adoptie wilde ik niet, omdat er zoveel kinderen zijn die een pleeggezin zoeken. Onze eerste pleegzoon was tien jaar. We wilden graag een oudere jongen, zodat er geen concurrentie ontstond met Maarten. Omdat Maarten een achterstand heeft, zou een jonger kind hem kunnen ‘inhalen’. Deze jongen ging ieder weekend naar zijn moeder. Dat gaf ons ruimte iets extra’s te doen met Maarten. Na vier maanden ging hij weer bij zijn moeder wonen. Daarna kregen we een pleegzoon vanuit een woongroep. Hij had geen contact met zijn ouders. Ook hij was ouder dan Maarten. Het was een leuke, maar pittige tijd. Er was tegen hem gezegd dat hij tijdelijk bij ons mocht wonen. Iedere keer als er iets positief was, maakte hij het negatief. Na tien maanden is hij overgeplaatst. We hebben nog steeds contact en het is goed zo. Nu woont Jelle bij ons, een heerlijk ondernemend jongetje. Jelle is jonger dan Maarten, omdat Maarten nu graag de oudste wilde zijn. Wij wilden zelf dit keer een langdurige plaatsing.”

Hoe reageerde uw omgeving en familie op het pleeg­ouderschap?
Iris: “Eigenlijk hebben we alleen positieve reacties gehad. Er zijn familieleden meegegaan naar de laatste avond van de STAP-cursus. Door die steun werd het voor ons een bijzondere avond.”

Hoe ziet uw begeleiding eruit en voorziet die in de behoefte?
Frans: “In het begin was de begeleiding intensiever, ongeveer eens per drie weken, nu ongeveer eens per zes weken. We hebben regelmatig contact via mail of telefoon met de voogd, pleegzorgbegeleider en ouders om afspraken te maken, bijvoorbeeld rondom bezoeken. De afgelopen periode was voor Jelle moeilijk. Toen was er meer contact met de pleegzorg­begeleider.”

Waar heeft u steun bij nodig, waar bent u onzeker over?
Iris: “Mijn werk kent veel raakvlakken met pleegzorg, want onze cliënten zijn ook uithuisgeplaatst. Op mijn werk heb ik veel contact met voogden, instellingen, ouders en andere familieleden. Soms vind ik het wel veel, omdat het wat dubbel is met de dingen die thuis voor pleegzorg nodig zijn. Ik heb daarom een andere functie gekregen. We hebben een flinke dip gehad met Jelle, maar klimmen nu omhoog. Het is frustrerend hem te zien ploeteren met zijn gevoel, maar je kunt hem niet goed helpen, je voelt je machteloos. Hij krijgt binnenkort speltherapie om beter met die gevoelens om te gaan.”

Hoe ziet het contact met ouders en familieleden eruit?
Iris: “Jelle gaat ieder weekend naar één van zijn ouders. Zijn oudere broer woont sinds augustus bij zijn vader, dat is moeilijk en confronterend voor Jelle. Samen met de gezinsvoogd, pleegzorgbegeleider en vader zoeken we hierin een weg. Al wonen zijn vader en moeder niet meer samen en willen ze niets met elkaar te maken hebben, ze spelen toch op een bepaalde manier een ‘spel’ via de kinderen.
Zij moeten bijvoorbeeld dingen vragen aan de andere ouder en dat weer doorgeven. Onze contacten met de ouders zijn goed en we zitten op één lijn wat betreft de regeltjes voor Jelle.”

Welke praktische problemen komt u tegen?
Iris: “Pleegzorg zelf is leuk, maar als pleegouder moet je sterk in je schoenen staan. Contact met gezinsvoogden en de pleegzorgbegeleider is belangrijk. Ik vind het soms lastig om te kijken bij wie je moet zijn en wat je wel of niet moet zeggen tegen ouders of tegen de voogd zonder dat ouders dit weten. Soms moet het wel en dan voelt het als klikken.”

Zijn er momenten waarop u denkt, hier had ik nooit aan moeten beginnen?
Frans en Iris zijn hier duidelijk over: “Nee, zelfs in moeilijke tijden staan we achter onze keuze voor pleegzorg!”

Beschrijf een ervaring die illustreert: daar doe ik het voor?
Iris: “Het zijn vaak kleine dingen, zoals een extra knuffel of als hij tegen je zegt: ‘Ik ben blij dat ik hier ben komen wonen’. Wij vinden het vooral fijn dat Jelle ontspannen is en geniet van de dingen die gebeuren. We zien aan hem dat hij rust heeft en het prettig heeft bij ons. Hij groeit ook letterlijk door de veiligheid en het vertrouwen en daar doen we het voor. Laatst heeft hij zijn zwemdiploma B gehaald. Als ik dan dat stralende, trotse snoetje zie… daar word ik gelukkig van.”


Tags: ,