Lezen (Schrijven deel 1)

Als er iets is dat ons hulpverleners onderscheidt van anderen, is dat het ‘schrijven’. Hele pagina’s vullen wij met onze verslagen, aantekeningen en bevindingen. Schrijven wordt gebruikt om het verloop van de hulpverlening vast te leggen, om problemen in kaart te brengen en het vormt de basis voor ons contact met andere hulpverleners.

Deze schrijfwereld is zo’n belangrijk onderdeel van de jeugdhulpverlening dat ik besloten heb om er niet één column, maar drie columns aan te wijden. In deze eerste column: het lezen, want alles wat geschreven wordt, moet ook worden gelezen (hoewel… maar dat de volgende keer).

Lezen kent een hiërarchie. Gedragswetenschappers staan bovenaan, die mogen alles lezen. Zelf kan ik van ieder kind binnen mijn werksoort het dossier openklikken. Stagiaires mogen dit ook, maar niet iedereen mag zomaar alles lezen, stel je voor zeg. Ouders mogen over hun kind lezen, maar dan op afspraak en onder begeleiding. Opmerkelijk toch? Ouders op afspraak, maar iedere nog niet afgestudeerde snotneus heeft vrij toegang tot de dossiers. Pleegouders zijn, als het om lezen gaat, helemaal een vreemde eend in de bijt. Een pleegkind is immers geen eigen kind en pleegouders zijn ook geen hulpverleners. Terwijl in de praktijk het veelal de pleegouders zijn die het kind helpen als er een probleem is. Probeer de komende weken het dossier van uw pleegkind eens te lezen. Wat voor beeld van het kind en de situatie wordt er geschetst? Klopt dat beeld of valt daar nog wel iets aan toe te voegen? Kun je er als pleegouder iets aan toevoegen?

Ik ben heel benieuwd naar uw bevindingen.


Tags: ,