Als twee weken twee jaar worden

Ze waren woedend en zijn soms nog steeds radeloos van verdriet. Ze vinden het verschrikkelijk dat hun kinderen van hen zijn afgenomen. Ze hebben forse kritiek op de pleegzorginstellingen en pleeggezinnen waar ze mee te maken hebben. Ze zijn niet blijven zitten met hun machteloze gevoelens, maar zijn actief geworden in het oudernetwerk om zo lotgenoten te ondersteunen. Lut en Wouda zijn allebei ouder op afstand.

Lut
“Mijn dochter Anna was zeven toen ik vrijwillig hulp zocht bij Bureau Jeugdzorg. Ik had buiten de deur een heel lief kind, maar thuis was ze onhandelbaar. Ze had steeds vaker heftige driftbuien: het eten zat dan op de muren en ik heb nog steeds de littekens op mijn borst van het bijten en schoppen. We kregen eerst hulp van Families First, maar dat hielp niet. Daarna zijn we een half jaar intern in gezinstherapie geweest, maar dat loste de problemen ook niet op.

Anna bleek na onderzoek hoogbegaafd en hoog sensitief en ze had voor tachtig procent kenmerken van PDD-NOS (autistische stoornis). Ik heb zelf een psychiatrisch verleden en heb dat al jaren onder controle, maar toen de psychologen ook nog zeiden dat ze vermoedens van seksueel misbruik bij Anna hadden, raakte ik helemaal van slag en kon ik het niet aan om alleen met Anna thuis te zijn.

Samen met de medewerker van Bureau Jeugdzorg bedacht ik dat Anna, tot ze voor intensieve therapie intern terecht kon in De Bascule, tijdelijk bij een pleeggezin moest verblijven, terwijl ik opgenomen werd om tot rust te komen. Het klonk als een ideale oplossing. Ik dacht: die twee weken overleef ik wel. Totdat de medewerker van Bureau Jeugdzorg op vakantie ging en alle plannen werden omgegooid.

Anna ging de maanden daarna in de weekenden naar het pleeggezin en kwam niet meer thuis.

Ik ging akkoord, omdat ik voor mijn gevoel weinig keus had. Bij mijn eerste bezoek aan Anna in het pleeggezin ging het al mis. Ik kon bij de pleegvader geen goed doen: mijn stem was te hard, mijn mimiek niet goed, hij had overal iets op aan te merken. De pleegvader speelde in die maanden voor mijn gevoel een gemeen spel en de pleegzorgwerker koos vanaf het begin zijn kant. Hij was de goede pleegvader en ik mocht geen kritiek leveren. Ze vonden me een slechte moeder en ik liet het allemaal maar over me heen komen, omdat ik niet wist wat ik ertegen moest doen.

Na een paar maanden heb ik een klacht bij de pleegzorg­instelling ingediend en heb ik via de rechter afgedwongen dat Anna in een ander pleeggezin terechtkwam. Inmiddels zit Anna bijna een jaar in het nieuwe pleeggezin en de pleegzorgwerker is nog maar twee keer op bezoek geweest. Er wordt niet gecommuniceerd over de ontwikkeling van Anna en de pleegzorgwerker houdt zich niet aan de afspraak om eens in de zes weken met elkaar om tafel te gaan. Als ik haar wel zie, heeft ze alleen maar kritiek en blijft ze zeggen dat er zorgen zijn, maar als ik vraag welke zorgen dat dan zijn, krijg ik geen antwoord.

Natuurlijk heb ik zelf ook zorgen. Anna is nu de helft van de tijd thuis en komt binnenkort hopelijk weer helemaal thuis wonen. Ik kan zelf ook niet voorspellen hoe dat zal gaan. Maar het hoofddoel van pleegzorg moet volgens mij zijn dat het kind uiteindelijk weer thuis komt wonen. Dat vindt de pleegzorginstelling niet en zij laten duidelijk merken dat ze alle macht hebben. Ik kreeg nooit een andere pleegzorgwerker en ik kan ook niet naar een andere pleegzorginstelling. Er is te weinig kennis en er wordt te weinig geluisterd naar de behoeften van de biologische ouders.

Ik ben te afwachtend geweest de afgelopen twee jaar. Ik kan deze periode niet meer terugkrijgen, maar ik wil wel proberen het voor andere kinderen zo kort mogelijk te houden als het kan. Vandaar dat ik ook actief ben in het ouder­netwerk, vooral als het gaat om pleegzorg. Je zit als ouder met boosheid en verdriet, maar je wordt onder tafel gepraat en veroordeeld. Dat kan niet.”

Wouda
“Ik ging een aantal jaar geleden met mijn kinderen onder politiebegeleiding weg bij mijn ex-man, omdat het daar helemaal misliep. Daarna woonde ik een tijdje bij mijn moeder en mijn zus. Toen dat ook niet meer ging, heb ik zelf om een tijdelijke uithuisplaatsing gevraagd, totdat ik weer woonruimte voor mezelf had gevonden. Uiteindelijk hebben al mijn zes kinderen, behalve de jongste, in verschillende periodes in pleeggezinnen gezeten.

De uithuisplaatsingen werden tegen mijn zin verlengd, omdat ik de kinderen sociaal, fysiek en emotioneel zou mishandelen. Dat is onterecht en daar is ook nooit goed onderzoek naar gedaan. Ik wilde dat Bureau Jeugdzorg en de pleegzorginstellingen zeiden wat er dan niet goed was en wat ik zou moeten veranderen, maar dat is niet gebeurd. Ik ben nu actief in het oudernetwerk en ik hoor van veel biologische ouders dat ze zich niet gehoord voelen en dat ze weinig informatie krijgen over hun kind. Het lijkt er vaak op dat pleegouders meer rechten hebben dan wij, zij worden eerder geloofd dan de echte ouders.

Het gaat soms ook goed: mijn andere dochter heeft in een goed pleeggezin gewoond. Veel hangt af van de pleegouders en van de pleegzorgwerker. De pleegouders zijn vaak niet goed voorbereid en gescreend. Ze gaan hun eigen gang en worden niet goed begeleid in het contact met de biologische ouders. Wij hoeven niet als moeilijk gezien te worden – je hebt als pleegouder met ons te maken en of dat nou makkelijk gaat of niet, we moeten samenwerken in het belang van het kind.

Mijn twee dochters zijn inmiddels weer thuis nadat ze drie jaar lang beiden bij een ander pleeggezin hebben gewoond. Dankzij een advocaat kreeg ik bij mijn oudste dochter van zeven jaar gelijk van de rechter en mocht ze naar huis. Wij hadden een eigen plan gemaakt om dat vanwege haar leeftijd langzaam op te bouwen: het meisje had hier drie jaar niet geslapen en we hadden een bezoekregeling van anderhalf uur per maand. Voorzichtig wennen was ons idee. De pleegzorginstelling was het hier niet mee eens, ze moest meteen naar huis, dat was beter vonden zij. Zo is het ook gegaan, maar dat bleek veel te snel voor haar. Onze andere dochter was ook net thuis gekomen en die nieuwe situatie gaf voor ons allemaal veel spanningen. Dat wilden de hulpverleners niet inzien.

Mijn zoon van negen woont nu nog steeds in een pleeg­gezin waar ik heel ontevreden over ben. Ik heb het gevoel dat ze ons kind van ons af willen pakken, maar ik mag daar niets over zeggen van de pleegzorgwerker, omdat het niet goed voor mijn zoon is als ik de strijd aanga met de pleeg­ouders. Ondertussen zetten zij handtekeningen die ik moet zetten en staan zij op school geregistreerd als biologische ouders. Dat is gewoon fout.

Het is voor iedere ouder een verschrikking om je kinderen niet bij je te hebben. Hoe zou jij het vinden? Biologische ouders worden na een uithuisplaatsing aan hun lot over­gelaten: wij kregen geen enkele begeleiding. Er wordt nu pas gewerkt aan een module waarbij er de eerste drie tot zes maanden na een uithuisplaatsing intensieve thuisbegeleiding voor de biologische ouders is om te kijken of het kind zo snel mogelijk weer naar huis terug kan. Want hoe langer het kind weg is, hoe moeilijker het is om weer thuis te komen.

Het is dodelijk vermoeiend om voor je kinderen te moeten vechten en er worden veel fouten gemaakt door de hulpverleners, ten koste van het kind. Daarom ben ik al snel actief geworden in het oudernetwerk. Ik beheer de helpdesk, mensen bellen en mailen me 24 uur per dag. Ik ben ook maatje voor verschillende gezinnen en we organiseren bijeenkomsten.

Er is veel boosheid en verdriet, maar wij willen ons richten op de samenwerking met de instanties. Niet alleen maar schoppen, maar ook de positieve kanten belichten als die er zijn. We willen in overleg gaan met Bureau Jeugdzorg en pleegzorginstellingen om zaken beter te regelen. Je zult mij niet zien demonstreren. Ik wil niet tegen jeugdzorg vechten, maar met jeugdzorg.”

======

KADER

======

Oudernetwerk
Het oudernetwerk jeugdzorg is een initiatief van ouders met ervaring in de jeugdzorg. Het netwerk is actief in verschillende provincies en ondersteunt ouders in het belang van het kind. Een van de belangrijkste onderdelen is het maatjesproject, waarbij ouders met ervaring en kennis van zaken andere ouders emotioneel en praktisch ondersteunen in het rechtstreekse contact met instanties als Bureau Jeugdzorg of pleegzorginstellingen.

Zowel in Gelderland als in Zuid-Holland, waar de geïnterviewden wonen, staat samenwerking met de instanties voorop. De netwerken willen een open houding naar de instellingen hebben, door aan te kaarten waar het volgens hen niet goed gaat en hoe het anders en beter zou kunnen. De problemen liggen volgens het oudernetwerk bijna altijd op het gebied van communicatie.

Er is bij biologische ouders veel boosheid, verdriet en frustratie. Dat mag ook en er is voldoende ruimte om die gevoelens onderling te uiten middels bijeenkomsten, maar de positieve kanten van de instanties moeten ook worden belicht. In het contact met die instanties is een strategische houding veel constructiever: er moet samen worden gezocht naar mogelijkheden om tot een betere oplossing voor het kind te komen.

 

 

 


Tags: ,