Laagdrempelige rechtsingang vervalt

Besluiten over het pleegzorg­contract zijn niet langer op grond van de Algemene wet bestuursrecht toetsbaar
Tot voorkort konden pleegouders die het niet eens waren met het niet verlengen of het beëindigen van het pleegzorgcontract bezwaar aantekenen bij de zorgaanbieder pleegzorg. Pleegzorg moest dan op grond van het bezwaarschrift een her­overweging maken van het besluit. Indien de zorgaanbieder pleegzorg het bezwaarschrift ongegrond verklaarde, konden pleegouders in beroep bij de bestuursrechter.

Bijstand van een advocaat is (voor zowel het indienen van het bezwaar als het indienen van het -hoger- beroep bij de bestuursrechter) in het bestuursrecht niet verplicht. Het bestuursrecht kent wat dat betreft een zogenaamde ‘laagdrempelige’ rechtsingang.

Aan deze rechtsingang is sinds kort een einde gekomen door de uitspraak van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak. De Raad van State heeft namelijk op 13 februari 2013 bepaald dat het besluit van de zorgaanbieder pleegzorg tot het niet verlengen van het pleegzorgcontract niet valt onder de Algemene wet bestuursrecht. Hiermee is na tientallen jaren een einde gekomen aan de rechtspraak van lagere bestuursrechters. Maar vooral is hiermee een einde gekomen aan de mogelijkheid voor pleegouders om bezwaar en (indien nodig) beroep in te stellen tegen het besluit tot beëindigen of niet verlengen van het pleegzorgcontract.

Het is niet (geheel) duidelijk waarom de Raad van State (in tegenstelling tot de lagere bestuursrechters tot nu toe) tot dit oordeel is gekomen. De zorgaanbieder pleegzorg is immers aan te merken als een bestuurs­orgaan als het gaat om de subsidiegelden (lees: pleegzorgvergoeding) die zij verstrekt aan de pleegouders op grond van het pleegzorgcontract.

Aan de andere kant regelt het pleeg­zorgcontract natuurlijk meer dan alleen de betaling van de pleegzorgvergoeding. Het contract betreft de zorg die het pleegkind wordt geboden op grond van de Wet op de jeugdzorg en alle verplichtingen die daaruit voortvloeien voor de pleegouders en de zorgaanbieder pleegzorg; dit is civielrecht.

Vanwege de ‘gemengde’ vorm kan worden gezegd, dat het pleegzorgcontract en de besluitvorming van de zorgaanbieder pleegzorg met be­trekking tot het pleegzorgcontract, zowel bestuursrechtelijke als civielrechtelijke kanten heeft.

Wetgever aan zet
Misschien heeft voor de Raad van State de wenselijkheid meegespeeld om de toetsing van rechtsvragen over de pleegzorg bij eenzelfde rechter (hier hoogstwaarschijnlijk: de kinderrechter) onder te brengen. Er is op dit moment echter geen rechtsingang bij de kinderrechter om het pleegzorgcontract te kunnen laten toetsen. Dit betekent dat de pleegouders op grond van het overeenkomstenrecht zich tot de rechter zullen moeten wenden. In de praktijk is dat een langdurige (dagvaardings)procedure waarbij bijstand van een advocaat verplicht is.

Het is daarom van belang dat de wetgever deze handschoen snel oppakt en een voortvarende laagdrempelige rechtsingang regelt in de wet.

(1) De Raad van State behandelt de hoger beroepen gericht tegen de uitspraken van de rechtbank, sector bestuursrecht.

(2) De Raad van State licht dat namelijk in de uitspraak verder niet toe, maar overweegt ambtshalve dat het besluit tot het niet verlengen van een pleegzorgcontract geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

 


Tags: ,