Een vergeten doelgroep

Auteur: Daniëlle Coenraats-Winterberg

Iedereen weet dat begeleiding voor pleegouders essentieel is. Het helpt hen bij de opvoeding van en zorg voor pleegkinderen. Maar hoe zit dat eigenlijk met de rest van het gezin? Worden de kinderen van pleegouders voldoende betrokken bij die begeleiding? Waarom is aandacht voor deze kinderen zo belangrijk?

Uit eigen ervaring weet ik dat kinderen van pleegouders te weinig begeleiding krijgen. Frits BoerNOOT1, schrijver van ‘Broers en zussen van speciale en gewone kinderen’, vertelt me in een interview over het risico dat ‘gewone’ kinderen vaak worden vergeten. In dit geval spreken we over biologisch eigen kinderen. De speciale kinderen, ofwel pleegkinderen, vragen en krijgen vaak meer aandacht en hulp, maar ik vraag me af of dit aan de pleegouders ligt.

Risico
Zelf ben ik van mening dat het risico begint bij de pleegzorgorganisatie. Wanneer pleegouders voldoende begeleiding en steun krijgen bij het opvoeden van pleegkinderen, zullen ze beter in staat zijn om de aandacht onder de kinderen voldoende te verdelen. Ze vormen hierdoor een evenwichtige gezinssituatie, zo blijkt uit onderzoek van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI)NOOT2. Helaas blijkt uit hetzelfde onderzoek dat de steun vanuit de pleegzorgorganisatie afneemt naarmate een plaatsing vordert. Veel pleegouders voelen zich hierdoor overbelast. Iedereen is erbij gebaat dat een plaatsing goed verloopt. Een afgebroken plaatsing moet worden voorkomen. Pleegouders voelen deze druk en doen hun uiterste best om het pleegkind zo goed mogelijk op te voeden. Het risico dat de aandacht veelal naar het pleegkind gaat, is groot. Tijd voor hun eigen kinderen schiet er bij in. Pleegouders hebben voor hun gevoel vaak geen keuze, want als zij een plaatsing willen beëindigen, kan schuldgevoel een rol gaan spelen.

Eigenlijk zouden we nog een stap terug moeten doen. Wordt er wel goed gematcht? Ik denk dat pleegzorgorganisaties onvoldoende kijken naar wat een pleeggezin aankan. Dit lijkt vaak te maken te hebben met tijd en geld. In deze tijd van crisis zitten leefgroepen vol, waardoor kinderen met ernstige problematiek in pleeggezinnen belanden, maar passen die kinderen wel in een gezinssituatie?

Hechting
Veel ouders die worden voorbereid op het pleegouderschap, krijgen de STAP-training. Als biologisch eigen kind ben ik destijds één keer mee geweest. Volgens de STAP-trainers zou je beter met lastig gedrag kunnen omgaan, als je begrijpt wat er met het kind is gebeurd.
Op dat moment werd niet stil gestaan bij een essentieel probleem: hechtingsproblematiek, een veel voorkomend probleem bij pleegkinderen. Vanuit eigen ervaring en theoretische kennis weet ik dat deze kinderen zorgvuldige begeleiding nodig hebben. Als die er niet is, kan hechtingsproblematiek een gezond gezin kapot maken. Ainsworth heeft in de VS onderzoek gedaan naar gehechtheidrelatiesNOOT3. Zij onderscheidt verschillende vormen en gradaties.
Pleegouders dienen goed te worden voorbereid op hechtingsproblematiek, vooral wanneer er ook eigen kinderen in het gezin zijn. Helaas gebeurt dit vaak niet. Vooral pleeggezinnen met weinig ervaring worden overvallen door de ernst van de problematiek. Voor pleegouders en hun kinderen kan dit een buitengewoon groot probleem zijn.

Mooie tussenvorm
Natuurlijk hebben alle kinderen recht op liefde, maar wat als het kind al zo beschadigd is, dat het liefde, ofwel intimiteit, nauwelijks (meer) aankan? Frits Boer zegt hier het volgende over: “Je moet altijd kijken of het kind überhaupt in staat is om te profiteren van een gezinssituatie. Een gezinshuis is toch ‘gezinsachtig’, maar met minder intimiteit. Kinderen die heel moeilijk in staat zijn om een relatie te ontwikkelen die te intiem is, gaan juist extra steigeren. Deze kinderen moet je ook niet in een ‘gewoon’ pleeggezin plaatsen. Een gezinshuis vind ik daarom een heel mooie tussenvorm.” Ik ben het met Frits Boer eens. Pleegzorgorganisaties moeten stoppen met het plaatsen in reguliere pleeggezinnen als het pleegkind al voor de zoveelste keer wordt doorgeplaatst. De conclusie zou in dit geval moeten zijn dat dit kind niet in een pleeggezin past.

Schuld
Vanuit de pleegzorgorganisatie waar mijn ouders voor werken, is er jarenlang geen begeleiding geweest voor mij en voor mijn broers en zussen. Begeleiding werd wel beloofd, maar niet geboden. Pleegzorgwerker Mark vertelt me in een interview: “Ik begeleid als ik zelf denk dat het nodig is. Het is niet iets wat ik kwijt kan in de verantwoording van mijn werkzaamheden. Als de werkdruk heel groot is, moet ik dit als eerste laten vallen. Heel simpel: ik krijg lijsten met welke verslagen niet op tijd af zijn, geen lijsten waarop staat dat ik de biologische kinderen al een tijd niet gesproken heb.”
Dit kan naar mijn idee leiden tot voortijdig afgebroken plaatsingen. Kinderen van pleegouders mogen hier echter nooit de schuld van krijgen. Er wordt al veel van hen gevraagd. Zij passen zich aan en trekken zich soms terug in het belang van het pleegkind. Eerder is dit te wijten aan onzorgvuldige matching, teveel emotionele druk of onvoldoende begeleiding vanuit de pleegzorgorganisatie. Dit betekent dat er niet is geluisterd naar zowel pleegouders als hun kinderen. Pleegzorgwerker Mark zegt: “Kinderen van pleegouders worden niet echt voorbereid op pleegzorg. Het wordt bij de ouders neergelegd om dat te doen.” De werkelijkheid is dat pleegouders hun kinderen niet kunnen voorbereiden als zij zelf nauwelijks weten wat hun te wachten staat!

We weten dat hechtingsproblematiek kan zorgen voor risico’s in een pleeggezin. Het pleegkind heeft door negatieve ervaringen geen vertrouwen meer in zichzelf en anderen. Het kan schijngedrag gaan vertonen, vaak in de vorm van sociaal wenselijk gedrag. De kinderen van pleegouders zien dit en geven het pleegkind hun vertrouwen niet. Het pleegkind kan dit ervaren als zoveelste afwijzing. Dit betekent absoluut niet dat biologisch eigen kinderen de schuld zijn van wat er gebeurt. Het probleem begint vaak bij het gedrag van het pleegkind, waar het kind van pleegouders op reageert. Er is sprake van een wisselwerking. Ook de kinderen van pleegouders hebben begeleiding nodig. Niet om zich vervolgens weer aan te passen of terug te trekken, maar om hen bewust te maken van het feit dat zij er niets aan kunnen doen. Er zou vooral geluisterd moeten worden naar de behoeften van deze kinderen. Kinderen van pleegouders kunnen veel van pleegzorg leren, maar als er geen begeleiding is, kan er een punt komen waarop pleegzorg te belastend wordt. Het kost teveel energie om je voortdurend in die ander te verplaatsen en gedrag te accepteren. Het kind van pleegouders is geen hulpverlener.

Kinderen van pleegouders mogen geen problemen ondervinden door het opvangen van pleegkinderen. Er moet niet alleen begeleid worden bij signalen, maar al voordat er geplaatst wordt. Voorkomen is beter dan genezen!

NOOT1
Prof. Dr. Frits Boer is emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie bij het AMC en de Universiteit van Amsterdam. Hij is expert op het gebied van de relatie tussen broers en zussen en publiceert hier regelmatig over.

NOOT2 Baat, M. de, & Bartelink, C. (2012). Wat werkt in de pleegzorg? Nederlands Jeugd Instituut.

NOOT3 Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.

 


Tags: , ,