Carolien woont bij haar vriendin Annebeth

Hans (45) en Rieneke (43) hadden al eerder nagedacht over pleegzorg, toen vorig jaar onverwacht Carolien bij hen kwam wonen. Dochter Annebeth kende haar en zodoende kwamen zij als netwerkpleeggezin naar voren. Een gezin waar, volgens eigen zeggen, iedereen welkom is en waar veel vriendjes en vriendinnen komen logeren

Wat is de samenstelling van je gezin?
Hans en Rieneke hebben drie kinderen, Annebeth (16), Joost (12) en Thomas (10) en een pleegdochter, Carolien (16). Hans werkt als zelfstandig aannemer en Rieneke is oproepkracht in de gehandicaptenzorg.

Hoe kwam je ertoe om pleegouder te worden?
Rieneke: “We hadden al over pleegzorg nagedacht, maar waren niet aan concrete stappen toegekomen. Op een gegeven moment kwam het verhaal van Carolien en dat er een pleeggezin voor haar werd gezocht. Er waren problemen tussen Carolien en haar moeder. Haar vader is een paar jaar geleden verongelukt. Anne­beth heeft vroeger bij Carolien in de klas gezeten. Zij vroeg ons of Carolien in ons gezin kon wonen. De gedachte kwam op dat we hier misschien iets mee moesten en konden doen, want ons gezin voelt stabiel.” Nadat Rieneke en Hans hun beschikbaarheid aangaven bij de pleegzorgorganisatie, gingen ze er samen voor bidden. Rieneke: “Het kwam op ons pad en we ervaren Gods leiding erin.”

Hoe reageerde je omgeving en familie op deze stap?
Hans: “We hebben een e-mail gestuurd naar familie en vrienden. Veel mensen uit de omgeving kenden de geschiedenis van dit meisje al. Over het algemeen kregen we positieve reacties, vooral onze families reageerden goed. Twee reacties kun je als negatief zien. Een persoon van wie we wel een reactie hadden verwacht, reageerde helemaal niet. Een ander was negatief.” Rieneke vertelt dat het haar verbaasde dat niet meer gezinnen zich als pleeggezin opgaven. Juist omdat iedereen elkaar kent. “Voor ons was het niet meer dan logisch om serieus over onze beschikbaarheid na te denken.”

Hoe ziet je begeleiding eruit en voorziet die in de behoefte?
Ongeveer eens in de zes weken is er een begeleidingsgesprek. Carolien of een ander gezinslid is daar vaak voor een gedeelte bij. Rieneke: “Misschien maken we er nog te weinig gebruik van. De begeleiding is wel voldoende en voorziet in onze behoefte. Hans en ik proberen er eerst zelf uit te komen.”

Waar heb je steun bij nodig, waar ben je onzeker over?
Hans: “We voelen ons vooral onzeker in de ouder­contacten, hoe we het contact tussen Carolien en haar moeder in goede banen moeten leiden.” Dit is een onderwerp tijdens de begeleidingsgesprekken met de pleegzorgwerker. Dan komt de ingewikkeldheid naar voren van het pleegouder zijn en het neutraal blijven naar de moeder, in het belang van Carolien. Hans: “Je hebt zelf natuurlijk ook altijd een mening en toch moet je neutraal blijven. Dat is het moeilijke van netwerkpleegzorg.”

Hoe ziet het contact met ouders en familieleden eruit?
Rieneke: “Het streven is om een keer per week een mail te sturen of telefonisch contact te hebben met haar moeder. Carolien heeft er zelf weinig behoefte aan. Dat, met de drukte van het gezin erbij, maakt dat het er vaak niet van komt.” Broers en zusje ‘spreekt’ Carolien via Facebook en sms. De afstand tussen pleeggezin en gezin van herkomst is groot, daarom ziet Carolien haar broertjes en zusje niet vaak. De familieleden van vaders kant wonen in de buurt. Carolien fietst regelmatig naar haar grootouders en ze ziet haar ooms en tante.

Hoe gaan jullie eigen kinderen om met de pleeg­dochter?
Rieneke: “Heel goed, we vragen regelmatig hoe het met hen gaat. Annebeth vindt het niet altijd gemakkelijk, maar wil Carolien voor geen goud missen. Wanneer het moeilijker gaat, praten we samen en zo komen we er wel uit. Carolien heeft dezelfde leeftijd als Annebeth. Aanvankelijk zagen we dat zelf niet als probleem. Tijdens het gezinsonderzoek werd het naar voren gebracht als mogelijk risico. Nu kunnen we herkennen wat er toen is gezegd. Ook voorafgaand aan de plaatsing hebben we veel gepraat met elkaar. We kunnen iemand helpen, daar leren we van. Uit­einde­lijk worden de kinderen er ook beter van. Ze leren dat je niet (alleen) voor jezelf moet leven. Verder zijn er praktische problemen waar de kinderen tegenaan lopen. Zo moet de computer met een gezinslid meer worden gedeeld en is het in de auto krapper.”

Zijn er momenten waarop je denkt: hier had ik nooit aan moeten beginnen?
Hans: “Nee, eigenlijk niet.” Rieneke kan dit beamen.

Beschrijf een ervaring die illustreert: daar doe ik het voor.
Hans: “Ik zie dat Carolien goed in haar vel zit. Het gaat goed op school en ze voelt zich thuis bij ons. Er is vooruitgang te zien.” Rieneke: “Als ik haar vertel hoeveel ik om haar geef en dan de tranen in haar ogen zie, weet ik: daar doe ik het voor. Dat ze weet dat ze geliefd is.”


Tags: ,