De stem van pleegkinderen en pleegouders

Onderzoek naar wennen in een pleeggezin

Hoe ervaren pleegkinderen de eerste periode in een nieuw pleeggezin? Wat doen pleegouders om het wenproces te vergemakkelijken?Deze vragen stonden centraal in een onderzoek door Stichting Alexander en de Universiteit van Amsterdam.

Redactielid Tim de Jong nam deel aan de begeleidingscommissie in dezelfde periode dat zijn gezin werd uitgebreid met een driejarig pleegkind. Het wennen in theorie en praktijk.

Pleegkinderen hebben een vertrouwenspersoon nodig bij wie ze terecht kunnen met hun vragen en emoties rond het wonen in een pleeggezin. Dit is een van de aanbevelingen uit het onderzoek ‘Nooit meer zo alleen. Wennen in een pleeggezin’. De onderzoekers Elly Singer, Adimka Uzozie en Kirti Zeijlmans voerden gesprekken met pleegkinderen, pleegouders en eigen kinderen van pleegouders over hun ervaringen met het wennen in een pleeggezin. Pleeg­kinderen blijken zich in het begin vaak eenzaam te voelen en niemand te hebben om op terug te vallen. Er is nog geen vertrouwens­band opgebouwd met de pleegouders. De pleegzorgbegeleider biedt vooral steun aan de pleegouders en de gezinsvoogd trekt zich meestal terug zodra het kind in een gezin is geplaatst. Een vertrouwenspersoon, bij voorkeur iemand die het kind al jaren kent, kan dan veel betekenen.

Als ik erg verdrietig was, liet ik dat gewoon liever niet zien, want dan dacht ik eigenlijk een beetje van: ‘Vinden ze het niet raar als ik ga huilen?’ Ik dacht, ik moet gewoon groot zijn. (pleegkind, meisje van 11)

‘Pakketje kind’
Als vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) werd ik een jaar geleden uitgenodigd om zitting nemen in de begeleidingscommissie van dit onderzoek. Een interessante opdracht, aangezien ik vrijwel op hetzelfde moment een driejarige pleegdochter in ons gezin mocht verwelkomen. Ik zat middenin ‘het wennen’ en kon iedere bevinding van het onderzoek toetsen aan de praktijk.

Ja, daar was ik wel blij en niet blij om. want ik dacht: straks gaan ze me slaan en doen ze heel erg lelijk tegen me. maar aan de andere kant dacht ik weer van: ze kunnen ook heel aardig doen. (pleegkind, meisje van 8)

Met onze driejarige werd ik al tijdens de matching door allerlei zaken verrast. Toen wist ik het weer: ervaringen met eerdere plaatsingen bieden enig zelfvertrouwen, maar toch went het wennen nooit. Elk kind brengt nieuwe avonturen mee en het beste wat je kunt doen als pleegouder is ‘meebewegen met wat zich voordoet’. Zo was er in dit geval geen mogelijkheid om de kennismaking op een voor het kind vertrouwde locatie te laten plaatsvinden. Over de toedracht hiervan kwamen we minder te weten dan we graag wilden. Aldus begaven we ons naar een zaaltje van jeugdzorg om op de vloer winkeltje te spelen en ‘kopje thee te drinken’, elkaar ondertussen onwennig aftastend. Onze achtjarige pleegzoon pakte een bal en rolde die uitnodigend naar zijn nieuwe pleegzusje. Er verscheen een voorzichtige lach op haar bleke gezichtje en de kop was eraf, maar het bleef jammer dat er geen uitwisseling mogelijk was met haar vorige pleeggezin. Twee weken later stond er een ‘pakketje kind’ op de stoep, vergezeld van vier kartonnen dozen. De pleegzorgwerker snelde weg na een halve kop thee. Evengoed nam ons nieuwe gezinslid de situatie op grandioze wijze ter hand. Ze gaf ons de moed om verder te wennen. Nu we een jaar verder zijn en ik de aanbeveling lees over een vertrouwenspersoon, besef ik: die rol had de oma van onze pleegdochter kunnen vervullen. We ontdekten haar bestaan pas na maanden. Een oma die je ieder kind – pleeg- of niet – van harte gunt. Gelukkig kan ze haar rol nu weer oppakken in het leven van haar kleindochter.

Ik wil niet dat ze allemaal denken van: Oh, we moeten allemaal echt heel erg veel met haar gaan spelen, want ze is echt zielig. zo wil ik me helemaal niet voelen, dat iedereen me zielig vindt. (pleegkind, meisje van 11)

Er is nooit iets verteld
Een van de eerste dingen waar het onderzoek mij bewust van maakte was de valkuil om tijdens de wenfase te veel je best te doen. Pleegouders, pleegkind en de eigen kinderen in het gezin zetten hun beste beentje voor om het wennen te doen slagen. Zo richten ze zich onbewust vooral op de positieve ervaringen. Negatieve gevoelens krijgen minder aandacht en worden als gevaar voor de goede vrede gezien. Het pleegkind krijgt het idee dat zijn of haar emoties er niet mogen zijn en trekt zich in zichzelf terug in plaats van dat het leert om emoties te uiten. Pleegouders staan hier met al hun goede bedoelingen vaak niet bij stil. Door dit inzicht werd ik alerter op het hele scala aan emoties in ons veranderende gezin en hoe wij daar sensitief mee om konden gaan.

Iets dat mij trof in het onderzoeksrapport is de helderheid waarmee jonge kinderen hun situatie en gevoelens blijken te kunnen verwoorden. Volgens de onderzoekers zou er meer met pleegkinderen gepraat moeten worden, zodat zij ervaren dat hun mening ertoe doet. Zo kan een kind dat hoopt op een hond in het pleeggezin, ook wanneer daar geen hond blijkt te zijn, bijvoorbeeld verteld worden dat er een hond bij de buren woont. Opvallend is het feit dat een aantal pleegkinderen aangeeft: er is nooit iets verteld over waarom ik naar dit gezin moest verhuizen. Aan het geven van een goede uitleg valt kennelijk nog veel te verbeteren! Niet alleen de pleegkinderen, maar ook de eigen kinderen in een pleeggezin lopen soms met vragen of zorgen rond die ze aan niemand kwijt kunnen. Ook met hen zou dus meer gepraat moeten worden, zowel door de ouders als door professionals.

Ja, ik had steeds een smiley op mijn gezicht. (pleegkind, meisje van 11)

Een ander interessant gezichtspunt uit het onderzoek is de relativering van het begrip hechting. Als een hechte emotionele band tussen pleegkind en pleegouders niet mogelijk blijkt, is het verstandig om deze norm te laten varen en te kijken of het kind op een basaal niveau kan aarden in het gezin. Dit ‘geaard zijn’ kan hem toch een basis bieden om op latere leeftijd vriendschappen en relaties aan te gaan, een opleiding te volgen en hobby’s te ontwikkelen. Zo’n relativering is een hart onder de riem voor pleegouders die zich inzetten voor kinderen die te zeer zijn beschadigd om te kunnen hechten in een nieuw gezin.

Deskundigheid van pleegouders
De geïnterviewde pleegouders geven aan dat zij met hun zorgen en problemen niet altijd gehoor vinden. Soms is de begeleider niet beschikbaar, in andere gevallen voelen zij zich niet vrij genoeg om het achterste van hun tong te laten zien. Bijvoorbeeld omdat de dreiging wordt gevoeld dat de hulpverlener de plaatsing zou kunnen afbreken. Een van de oplossingen is het beter benutten van de ervaringsdeskundigheid van pleegouders zelf. Ervaren pleegouders kunnen minder ervaren pleegouders helpen bij vragen als: wat is normaal (puber)gedrag en wat is gedrag dat samenhangt met specifieke problemen van het pleegkind? Dit gebeurt al in gespreksgroepen van de pleegzorginstellingen en bij de NVP, maar dit zou volgens de onderzoekers veel meer gefaciliteerd moeten worden.

Ik vind gewoon dat je eigenlijk vrij weinig begeleiding krijgt. Je moet het eigenlijk maar uitzoeken.Jje hebt die cursus gedaan en je wordt in het diepe gegooid. (pleeg­ouder)

We gingen veel vroeger eten, waardoor ik te laat kwam en het eten heel vaak miste. (eigen kind, jongen van 20)

Vervolgonderzoek biologische ouders
De biologische familie van het pleegkind is helaas niet betrokken in dit onderzoek. Als onmisbare schakel verdienen ook zij een stem waarnaar geluisterd wordt. Momenteel wordt vervolgonderzoek gedaan naar de ervaringen van biologische ouders van pleegkinderen gedurende het wenproces. De onderzoekers zoeken nog respondenten. Neem hier­voor contact op met Adimka Uzozie, uzozie@st-alexander.nl of 020-6263929.

U kunt de pdf van het onderzoek over wennen in een pleeggezin downloaden via de website van Stichting Alexander.
http://www.stichtingalexander.nl/images/pdf/boek%20nooit%20meer%20zo%20alleen_v4.pdf

 


Tags: ,