‘What you see is not what you get’

Aansluiten bij ontwikkelingsleeftijd in plaats van bij kalenderleeftijd.

De kalenderleeftijd is de tijd dat een kind op aarde rondloopt. Het functioneren van kinderen wordt echter door meer factoren bepaald. Door genetische bepaaldheid, onderstimulatie of een verstoord emotioneel functioneren is bij pleegkinderen vaak sprake van achterstanden. Minder begaafde kinderen hebben een lager cognitief niveau en een lager sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. Dit brengt specifieke behoeften en een beperkter gedragsrepertoire met zich mee.

Bij veel pleegkinderen is sprake van hechtingsproblematiek. Dit uit zich in weinig vertrouwen in zichzelf en de ander, een minder goede emotieregulatie en zwakke sociale vaardigheden. Kalenderleeftijd, intellectuele en emotionele ontwikkelingsleeftijd lopen dus niet synchroon.

Verwarring
Pleegkinderen kunnen door hun wisselende functioneren of problematische gedrag verwarring bij pleegouders veroorzaken. Pleegouders dienen het gedrag voortdurend te vertalen, want het kind zendt ‘verkeerde’ signalen uit. Vaak spelen overlevingsmechanismen een rol. Deze worden opgeheven naarmate een kind zich veiliger gaat voelen en er alternatieven zijn in de vorm van personen die helpen bij het reguleren van stress en emoties. Opvallend gedrag heeft doorgaans een sterke signaalfunctie en bevat een belangrijke ‘boodschap’. Kinderen laten – al dan niet bewust – zo dingen zien die ze niet op een andere manier kunnen uiten. Vaak is de boodschap ‘ik kan dit niet’ of ‘ik durf dit niet’. Juist pleegkinderen uiten negatieve emoties soms lange tijd niet, omdat ze bang zijn voor de gevolgen (opnieuw een uithuisplaatsing). Hierdoor wordt het ‘lezen’ van gedrag des te belangrijker. Pleegouders vragen zich vaak af of bepaald (probleem)gedrag een kwestie is van niet willen of niet kunnen. Meestal is er sprake van ‘niet kunnen’, ook in die gevallen waarin het kind niet wil. Daarnaast kent eenzelfde soort problematiek verschillende uitingsvormen.
Vertoont een kind voortdurend aandachtvragend en aanklampgedrag en geeft het de pleegouder het gevoel dat hij het kind tekort doet? Of laat een kind vooral teleurgesteld en afwachtend gedrag zien en geeft het de pleegouder het gevoel niet nodig te zijn? Beide soorten gedrag kunnen wijzen op hechtingsproblematiek en houden het risico van niet goed aansluiten in.

Bij sommige kinderen lijkt het alsof ze op een hoger niveau functioneren. Dit betreft bijvoorbeeld kinderen die geparentificeerd zijn of die qua seksualiteit veel meegemaakt hebben. Dit is echter schijn. Het is de uitdaging om hen in gesprekken, bij opdrachten of in het omgaan met intimiteit en nabijheid niet hoger dan hun kalenderleeftijd aan te spreken. Deze kinderen worden al jaren overvraagd of overbelast.
Ze hebben vaardigheden ontwikkeld om met hun niet-leeftijdsadequate taken om te gaan. Overigens kun je ook een overlevingsstrategie definiëren als een ontwikkelingsvoorsprong in plaats van een -achterstand, aangezien het vaak ingewikkelde strategieën zijn die kinderen bedenken. Dit kan leiden tot een verwarrend beeld.

Overvraging
Overvraging van het pleegkind ligt op de loer. Door pleegouders, maar ook door ouders, leerkrachten en hulpverleners. Overvraging leidt tot faalervaringen en gevoelens van minderwaardigheid. Dit heeft weer een versterking van teruggetrokken gedrag of agressie tot gevolg. Inhaalgroei door stimulatie, specifieke begeleiding en het opdoen van correctieve gehechtheidservaringen in een pleeggezin is gelukkig goed mogelijk. Het volgen van het tempo van het kind is hierbij essentieel. De wens van pleegouders om een kind te laten groeien houdt het risico in van overstimulatie en een te hoog tempo. Uit onderzoek blijkt dat plaatsingen, waarbij pleegouders aansluiten bij de ontwikkelingsleeftijd van het pleegkind, minder vaak eindigen in een afgebroken plaatsing. Het opdoen van succeservaringen is cruciaal. Dit bereik je als opvoeder eerder door iets onder de leeftijd te gaan zitten. Angst voor onderstimulatie of aanspreken op een te laag ontwikkelingsniveau is niet nodig. Als kinderen onvoldoende uitgedaagd worden, wordt dit vanzelf duidelijk. Kinderen hebben voldoende ontwikkelingsdrang, veerkracht en herstelvermogen om zich verder te ontwikkelen.

Leeftijdsfase
De mate en aard van overvraging verschilt per leeftijdsfase. Jonge kinderen switchen vaak tussen baby/dreumesgedrag (fysieke veiligheid en steun zoeken) en peuter/ kleutergedrag (eigen wil en autonomie laten zien). Bij de dreumes wordt inhaalgroei gestimuleerd door direct te voldoen aan primaire basisbehoeften (voeden, verschonen, vasthouden, knuffelen). Dit betekent een vast ritme met continue fysieke nabijheid van zoveel mogelijk dezelfde volwassene, die na eventuele verlating ook snel weer terugkeert.

Ook bij de peuter en kleuter is het fysiek beschikbaar zijn en het expliciet bieden van hulp, steun en troost tijdens hun ontdekkingstochten cruciaal. Als het kind te moe is om naar de peuterspeelzaal of school te gaan, houd het dan thuis en geef prioriteit aan het opbouwen van de relatie tussen pleegouder en kind. Lichamelijk en zintuiglijk contact kan gestimuleerd worden door activiteiten als voorlezen, stoeien, knuffelen, dansen, zingen, spelletjes en fysieke verzorging. Hoe meer zintuigen worden aangesproken, hoe meer er wordt ingehaald. Aansluiting wordt ook bevorderd door speelgoed, boekjes en muziek voor kinderen van een lager leeftijdsniveau aan te bieden en daarbij veel herhaling in te bouwen.
Bij een basisschoolkind neemt het risico op overvraging toe. Het kind heeft een grotere woordenschat en is beter in staat angst en pijn te verbergen. Kinderen lijken zich wat meer van opvoeders te gaan afsluiten, maar dit is schijn.

Pleegkinderen in de basisschoolleeftijd kunnen vaak minder dan verwacht naar hun eigen aandeel kijken, samenspelen met leeftijdgenootjes en zich inleven in de ander. Bovendien zijn zij minder onafhankelijk, hebben zij een slechter geheugen en denken zij onlogischer en onsystematischer dan op basis van hun kalenderleeftijd mag worden verwacht. Naast de aandachtspunten die voor jonge kinderen gelden, is het van belang non-verbaal in plaats van (alleen) verbaal te stimuleren en expliciet zelf als pleegouder de verantwoordelijkheid te nemen voor beslissingen. Gedachten, gevoelens en gedragingen van zowel het kind zelf als van de ander en oorzaak-gevolgrelaties benoemen, helpt het kind deze te herkennen.

Pleegkinderen kunnen lichamelijk gezien – als gevolg van versterkte stresshormonen en ondervoeding in de eerste levensjaren – vroeger in de puberteit komen. Hierdoor wordt de discrepantie met de sociaal-emotionele ontwikkeling nog vergroot. De zoektocht naar de eigen identiteit is voor veel pleegpubers een extra stressbron. Te denken valt aan nadenken over roots, verwarring over verbondenheid, bewustwording van rouw vanwege afgestaan zijn en het hebben van weinig zelfvertrouwen als gevolg van de voorgeschiedenis en het pleegkind-zijn. Hierdoor kan losmaking emotionele overvraging zijn die veel ondersteuning van de opvoeders vraagt. Doordat pubers andere omgangsregels met betrekking tot afstand en nabijheid gaan hanteren en tegelijkertijd heftig en afwijzend kunnen reageren, bestaat de valkuil dat pleegouders (te) veel afstand nemen. Het is belangrijk om de puber niet te vroeg los te laten en veel emotionele steun te blijven bieden. Te snel richten op onderhandelen en het aangaan van een symmetrische relatie kan overvraging betekenen. Wat meer aansluit is het (blijven) stellen van regels en grenzen ten aanzien van experimenteergedrag. Autoritair zijn belemmert initiatieven en uitproberen, maar autoriteit blijft nodig. <

======

KADER
======

Vuistregels
Diagnostiek bij aanvang van of in de loop van de plaatsing om goed zicht te krijgen op het niveau van sociaal-emotioneel en cognitief functioneren is verhelderend en vermindert het risico op overvraging. Daarnaast is er een aantal vuistregels om overvraging te voorkomen, succeservaringen te creëren en zo veel mogelijk aan te sluiten bij wat het kind emotioneel en cognitief aankan.

Voorspelbaarheid en structuur
Wees stabiel en voorspelbaar, bied expliciete structuur en regels en bereid situaties voor. Maak een vast dag- en weekprogramma met visuele ondersteuning van kalenders en pictogrammen. Hanteer vaste plekken in huis (eetplek aan tafel, meubels, kamerindeling). Creëer een vast moment op de dag waarop je als pleegouder interactie hebt met het kind. Formuleer regels en grenzen concreet en positief. Geef als opvoeder aan wat je wilt, zodat er geen misverstand kan ontstaan. Stel alleen regels voor wat echt belangrijk gedrag voor de ontwikkeling van het kind is en leg geen regels op voor andere lastige gedragingen.

Helpen in plaats van straffen
Begin met werken aan ‘connectie’ en werk pas daarna aan ‘correctie’. Zet – vanuit het besef dat het kind niet kan in plaats van niet wil – in op het helpen in plaats van op het straffen van een kind. Benoem wat het kind denkt, doet, voelt en wil. Zo ontvang je het initiatief of signaal van het kind en probeer je dit te interpreteren. Volg het tempo van het kind om een relatie op te bouwen. Zoek samen naar oplossingen voor problemen en laat het kind zelf meedenken in een straf, aangezien dit vaak effectiever is.

Aanmoedigen en belonen
Zet volhardend aanmoedigend gedrag, positiviteit en bevestiging in. Onderneem samen prettige één op één activiteiten, waarbij het kind de regie krijgt. Beloon wenselijk gedrag en hanteer als straf het weglaten van de beloning. Zet expliciete beloningssystemen in om (nieuw) gedrag aan te leren. Toon interesse in leuke activiteiten van het kind door middel van luisteren en doorvragen. Spreek het kind aan op wat het wél kan, geef taken die het goed kan uitvoeren en bied ruime kansen om succeservaringen op te doen. Deze vuistregel is uitdrukkelijk van toepassing op pubers, bij wie negativiteit en afwijzing op de loer liggen.

Emoties reguleren
Deze vuistregel betreft het timen en doseren van emoties van jezelf als opvoeder. Pleegkinderen worden snel emotioneel overvraagd en uit balans gebracht door heftige emoties. Gedoseerd en nuchter met emoties van het pleegkind meeleven is helpend. Met name bij straffen is het van belang deze rustig en zonder emoties uit te voeren, want juist bij straffen liggen boosheid en frustratie van opvoeders op de loer. Doe wat je zegt en zeg wat je doet. Door transparant en voorspelbaar te zijn, laat je een kind ervaren wat betrouwbaarheid is en sta je zelf model voor hoe je het wilt. Wat niet werkt is een dreigement, een preek, een discussie, een lange nabeschouwing of vragen naar het ‘waarom’. Probeer tot slot emotionele afstand vanuit het kind te verdragen en vooral te kijken naar het verloop van de ontwikkelingstaken (school, vriendjes, zich houden aan regels).

Bovenstaande vuistregels helpen het kind in zijn eigen tempo te groeien naar een niveau van functioneren dat past bij zijn leeftijd en mogelijkheden. Voor zowel de omgeving als het kind zelf komt ‘what you see is what you get’ dan een stapje dichterbij.

 

Dr. Petra Bastiaensen is GZ-psycholoog en werkzaam als senior-behandelcoördinator bij Juzt in Breda.

 


Tags: ,