Pleegkind in internationaal perpectief

Als het om pleegzorg gaat in internationaal perspectief, dan zijn met name twee verdragen van belang: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het EVRM bevat waarborgen om de burger tegen de staat te beschermen. Het IVRK is een van de fundamentele mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties (VN).

Voor het (pleeg)kind en zijn (pleeg)- ouders is artikel 8 van het EVRM belangrijk. Het regelt het recht van een ieder op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven, zijn woning en briefwisseling. Gezinsleven kan bestaan tussen ouders en kind, maar ook tussen pleegouders en pleegkind. Wanneer deze rechten botsen is het aan de rechter om te beoordelen welk gezinsleven voorrang krijgt.

Belang van het kind voorop
Artikel 3 van het IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen die ten aanzien van kinderen worden genomen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen. Als er een conflict is van belangen, behoort het belang van het kind de doorslag te geven. Binnen de jeugdzorg wordt heel vaak geschreven of gezegd dat een bepaalde beslissing of maatregel in het belang van het kind is. Terwijl niet altijd concreet wordt gemaakt wat daaronder wordt verstaan. Is het besluit goed gemotiveerd, welke belangenafweging is er gemaakt et cetera?

Contact tussen ouder en kind
Artikel 9 van het kinderrechtenverdrag bepaalt dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders tegen hun wil, tenzij de scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Bovendien kan een dergelijke scheiding alleen plaatsvinden als deze kan worden getoetst door een rechter en in overeenstemming is met het recht en de procedures die van toepassing zijn. Het verdrag noemt voorbeelden waarbij een scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind: mishandeling en verwaarlozing van het kind. Bovendien moeten het kind en de ouders die van elkaar zijn gescheiden op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en contact kunnen hebben, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind. Aan het onthouden dan wel beperken van contact tussen het kind en de ouder worden strenge eisen gesteld.

Bescherming voor het kind
Artikel 20 van het kinderrechtenverdrag bepaalt dat een kind dat tijdelijk of blijvend het gezin waartoe het behoort moet missen of dat in zijn of haar belang niet in het gezin kan blijven, recht heeft op bijzondere bescherming van staatswege. De overheid moet dan voor een andere vorm van zorg voor het kind zorgen. Deze zorg kan plaatsing in een pleeggezin zijn (of volgens het Islamitische recht: Kafalah), adoptie of indien noodzakelijk plaatsing in een instelling. Deze laatste oplossing kan alleen gekozen worden als er geen alternatief is. Bij het overwegen van oplossingen moet, zowel bij een instelling als een pleeggezin, op passende wijze rekening gehouden worden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal. <

 


Tags: ,