Pleeggrootouders

Het begin van een zoektocht naar een onderbelichte groep.

Jaren geleden wandelde een oud-collega mijn kantoor binnen. Ze had mijn hulp nodig. Haar dochter, een alleenstaande moeder, was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Mijn oud-collega nam haar kleinkind als vanzelfsprekend in huis. Na twee jaar ontvingen de grootouders het bericht dat hun dochter naar huis mocht en dat zij haar kind weer zelf wilde opvoeden. Volgens mijn oud-collega was haar dochter nog zeker niet in staat om haar kind op te voeden. Ze vroeg aan mij hoe ze kon voorkomen dat ze haar kleinkind ‘moest afstaan’ aan haar dochter.

Deze vraag vormde voor mij de aanleiding om onderzoek te gaan doen naar het wel en wee van pleeggrootouders. In de afgelopen jaren is er wel eens aandacht besteed aan pleeggrootouders (waaronder in Mobiel in 2004 en 2010), toch zijn er nog steeds veel vragen ten aanzien van deze groep pleegouders. Dit artikel geeft de uitkomsten uit het literatuuronderzoek naar pleeggrootouders weer.(1) Het vervolg van het onderzoek bestaat uit het doorlezen van dossiers van verschillende pleegzorgaanbieders en het voeren van gesprekken met pleeggrootouders en hun kleinkinderen over de onderwerpen die ik in de literatuur en de dossiers gevonden heb.

Literatuur over pleeggrootouders
In diverse artikelen over pleeggrootouders komen terugkerende thema’s aan bod. Onderstaand een opsomming van thema’s die zijn verkregen uit literatuuronderzoek en uit persoonlijke verhalen. Deze zijn opgetekend na contacten met pleeggrootouders en de Stichting Belangenbehartiging Pleeggrootouders Nederland (SBPN).

Aantal pleeggrootouders in Nederland
In 2010 vonden in Nederland ruim 24.000 kinderen onderdak in een pleeggezin (Pleegzorg Nederland, 2011); 41% van de pleegzorg wordt geboden in een netwerkpleeggezin. Geschat wordt (Loeffen, 2000) dat pleeggrootouders 40% van het totaal aantal netwerkpleeggezinnen vormen. Doorrekenend betreft dit 16% van het totale aantal pleegkinderen in Nederland. Exacte aantallen zijn niet bekend, doordat bij de registratie van de pleegouders niet wordt vastgelegd of ze de grootouders van hun pleegkind zijn. Naast deze officiële pleeggrootouders zijn er een onbekend aantal grootouders die een kleinkind opvoeden zonder de status van pleegouder.

Relatie tussen ouders en pleeggrootouders
In veel gevallen is de relatie tussen ouders en pleeggrootouders spannend of gespannen. De kleinkinderen worden door de grootouders opgevoed, met een bezoekregeling voor de ouders. Diverse pleeggrootouders melden dat een dergelijke set van afspraken goed nageleefd wordt. Andere daarentegen zeggen dat het voortdurend spannend is of hun volwassen kind en eventuele partner zich wensen te houden aan de overeengekomen afspraken. In de literatuur wordt veel aandacht besteed aan dit beladen onderwerp. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van dit contact belangrijk is. Er zijn geen aanwijzingen dat meer of minder contact tussen ouders en pleegouders de kans op een mislukte plaatsing beïnvloedt (Oosterman e.a. 2006).

Wat houdt pleeggrootouders vooral bezig?
Loeffen (2004) noemt drie thema’s die, in binnen- en buitenland, steeds terugkeren bij pleeggrootouders of in de literatuur over hen:
• verlatingsangst bij kleinkinderen (vaak na meerdere verplaatsingen van de kinderen);
• het eigen sociale netwerk (een noodzakelijk netwerk dat echter niet meer gewend is aan kleine kinderen, dus moeilijk kan steunen);
• niet gehoord voelen door de hulpverlening bij het uitspreken van zorgen over kleinkinderen.

Gezondheid
Gezien de gemiddelde leeftijd van de grootouders, is de kans op gezondheidsproblemen en overlijden van een van beide partners groter. Er zijn geen cijfers bekend over de mate waarin dit voorkomt. Voor de Nederlandse Gezinsraad (NGR) is de hoge leeftijd van de pleeggrootouders een dusdanig belangrijk thema, dat zij hier expliciet aandacht voor vragen bij besluiten over de indicatie voor een langdurige plaatsing (NGR, 2001).

Schaamte
Veel pleeggrootouders schamen zich tegenover familie en vrienden voor het falen van hun kind. In enkele gevallen hindert dit hen in het zoeken van steun binnen de familie (Gessner e.a., 2009).

Niet alleen maar last
“Er zijn ook mooie kanten aan een dergelijke onverwachte opdracht…” Dit hoorde ik van een ouder stel dat 18 jaar geleden twee kleinkinderen in huis genomen heeft. Desgevraagd bevestigen andere pleeggrootouders dit (Pleeggrootouderdag 2011).

Beleving kinderen
Pleegkinderen voelen zich veilig bij hun grootouders. Ze vinden de contacten met hun eigen ouders waardevol, maar willen (in de meeste gevallen) niet meer terug. In vergelijking met pleegkinderen uit een bestandspleeggezin, hebben kinderen die bij hun grootouders opgroeien meer het gevoel ‘erbij te horen’, rapporteert Cuddeback (2004).

Andere cultuur
Pleeggrootouders zijn opgegroeid in een andere tijd, met een tijdsgeest die verschilt met die van hun kleinkinderen. Sommige van hen zijn ook in een ander land opgegroeid. Hun kleinkinderen handelen anders dan zij gewend zijn.

Succes
Er zijn geen duidelijke verschillen te vinden tussen het aantal mislukte plaatsingen in netwerkpleeggezinnen, waar de pleeggrootouders onder vallen en bestandspleeggezinnen. De weinige cijfers zijn tegenstrijdig en moeilijk vergelijkbaar (Audenaert, 2010; Cuddeback, 2004).

Noodzaak onderzoek naar pleeggrootouders
Pleeggrootouders zeggen vrijwel zonder uitzondering dat ze geen keuze hadden toen de vraag werd gesteld of zij hun kleinkind in huis wilden nemen. De meeste grootouders hebben het zien aankomen, maar waren niet voorbereid op de vraag. Zij hadden andere plannen voor hun oude dag. Van de ene op de andere dag veranderde de relatie met hun kleinkind. De grootouders moeten als opvoeder gaan optreden en structuur aanbrengen in het leven van een kind dat al veel heeft meegemaakt. De rol van de toegeeflijke, lieve grootouder past niet meer. Wanneer grootouders, kinderbescherming en pleegzorgbegeleiders weten wat hen te wachten staat, kunnen ze vooraf en bij eventuele crisismomenten tijdens de opvoeding betere keuzes maken. Regelgeving en protocollen kunnen beter worden toegesneden op deze categorie pleegouders (deze zijn nu voornamelijk ontwikkeld voor gemiddeld jongere bestandspleegouders) en de begeleiding kan beter worden afgestemd op zaken die er toe doen voor deze grootouders, hun kinderen en kleinkinderen. <
Henk van Oosteren heeft ruime ervaring en expertise op het gebied van jeugdzorg, in het bijzonder van pleegzorg.

(1) Een uitgebreide versie van dit artikel is uitgegeven door Gezinshuis.com en de Rudolphstichting. Deze is te downloaden op www.inhuisplaatsen.nu.

Literatuuroverzicht
– Audenaert, V. (2010). Pleegzorg: wanneer? Deel 2. KC-Rapport van de Vlaamse overheid.
– Cuddeback, G. S. (2004). Kinship family foster care: a methodological and substantive synthesis of research. Children and Youth          Services Review 26, 623-639.
– Gessner, A. e.a. (2009) Methodische handleiding voor begeleiding van pleeggrootouders. Interne publicatie Spirit.
– Juffer, F. (2010). Opvoeden door grootouders: natuurlijk?! Mobiel 5.
– Loeffen, M. (2004). Grootouders die hun kinderen opvoeden, een (on)zichtbare groep?!? Mobiel 4.
– Nederlandse Gezinsraad (2001). Thuisplaatsing van pleegkinderen.
– Oosterman, M. e.a. (2006) Disruptions in fostercare: a review and meta-analysis. Children and Youth Services Review 29 (1).
– Pleegzorg Nederland (2011). Factsheet Pleegzorg.

 


Tags: ,