Seksueel misbruik in pleegzorg komt te vaak voor

Als onderdeel van het grote onderzoek door de commissie-Samson naar seksueel misbruik sinds 1945 binnen de jeugdzorg in Nederland, deed Lenneke Alink met Rien van IJzendoorn en een aantal collega’s onderzoek naar hoe vaak seksueel misbruik in 2010 binnen de jeugdzorg voorkwam NOOT1. Ze splitsten de cijfers uit voor de residentiële zorg en pleegzorg. De resultaten werden op 8 oktober gepresenteerd en waren schokkend. Dit vraagt om een nadere bezinning. Mobiel sprak met Alink en dacht met haar na over de consequenties voor pleegzorg.

Lenneke Alink werkt als universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden en werd onlangs tevens benoemd als bijzonder hoogleraar aan de VU in Amsterdam op de Jan Brouwer leerstoel ‘Voorkomen, gevolgen en aanpak van kindermishandeling’. Ze gaf leiding aan een team medewerkers om de vraag te beantwoorden hoe vaak seksueel misbruik voorkwam in het jaar 2010 binnen de reguliere jeugdzorg en de zorg voor licht verstandelijk beperkten in verhouding tot de algemene Nederlandse bevolking in dat jaar.

Het onderzoek
Bij de onderzoeksopzet werd de volgende definitie gehanteerd: “Seksueel misbruik van kinderen is seksueel contact van (jong-)volwassenen met kinderen jonger dan 18 jaar. Deze lichamelijke contacten zijn tegen de zin van het kind of zonder dat het kind deze contacten kan weigeren. Plegers zetten het kind emotioneel onder druk, dwingen het kind of weten door hun overwicht te bereiken dat het kind geen nee durft te zeggen tegen seksuele toenaderingen. Voor het onderzoek naar seksueel misbruik van jeugdigen die op gezag van de overheid in instellingen of pleeggezinnen zijn geplaatst, wordt hieronder tevens begrepen seksueel misbruik van groepsgenoten waartegen de volwassene uit hoofde van zijn functie bescherming had moeten bieden.” (commissie-Samson, 2011)

In 2005 heeft er al een onderzoek plaatsgevonden door de Universiteit Leiden, de Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM). NOOT2 . Deze studie was gebaseerd op de National Incidence Studies in de VS, een serie onderzoeken waarin periodiek wordt gemeten hoe vaak kindermishandeling binnen een bepaalde groep voorkomt. In 2005 vond in Nederland ook een studie plaats waarbij jongeren zelf over hun eigen ervaringen rapporteerden. Dit onderzoek stond onder leiding van Francien Lamers-Winkelman, emeritus hoogleraar preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling. Beide studies zijn in 2010 in Nederland door de Leidse onderzoeksgroep herhaald en op deze studies (NPM-2010) is voortgebouwd bij het Samson-onderzoek in 2010.

De uitkomsten zijn te vergelijken, omdat dezelfde onderzoeksmethoden werden gebruikt. De onderzoekers werkten zowel bij de NPM-2010 als bij de studie naar mishandeling en misbruik in de jeugdzorg met informanten (bijvoorbeeld dokters en leerkrachten) die gevraagd werden alle kinderen te rapporteren bij wie ze van mishandeling en misbruik wisten of dit vermoedden. Ook vroegen de onderzoekers bij beide studies aan de hand van vragenlijsten aan jongeren tussen de 12 en 17 of ze zelf mishandeling of misbruik hadden meegemaakt. Het percentage misbruik dat jongeren rapporteerden was aanzienlijk hoger dan het percentage dat informanten aangaven, waarschijnlijk omdat informanten niet van alle kinderen (kunnen) weten of ze misbruikt zijn.

In eerder onderzoek werd al aangetoond dat kinderen die in Nederland opgroeien met één of meer stiefouder(s), een groter risico lopen om te worden mishandeld dan andere kinderen. NOOT3 De afwezigheid van een biologische relatie met het kind, in combinatie met stressfactoren in een stiefgezin, kan een verklaring zijn voor het verhoogde risico op mishandeling. Het risico voor adoptiekinderen was niet verhoogd. De vraag is nu of het risico op mishandeling (in het bijzonder seksueel misbruik) verhoogd is bij kinderen die opgroeien in een pleeggezin of jeugdzorginstelling in Nederland.

De uitkomsten
In de algemene Nederlandse bevolking vindt bij 0,8 per 1000 kinderen seksueel misbruik plaats. In 2010 vond er bij kinderen in pleeggezinnen bij 1,7 per 1000 kinderen seksueel misbruik plaats, terwijl het in de residentiële jeugdzorg 4,3 per 1000 kinderen betrof. Voor licht verstandelijk beperkten (IQ tussen 70 en 85) waren die getallen respectievelijk 10,1 in pleeggezinnen en 9,5 in residentiële instellingen. Misbruik komt dus veel vaker voor in de jeugdzorg dan in de algemene bevolking, met name in residentiële instellingen en bij licht verstandelijk beperkte kinderen.

Desgevraagd geeft Alink aan verrast te zijn door de uitkomsten. De Nederlandse cijfers zijn schokkend. Alink: “Het is goed dat er nu zicht is op hoe vaak seksueel misbruik voorkomt, want tot nu toe hadden we geen idee, maar het is natuurlijk veel te vaak. Ieder kind moet in een veilige omgeving kunnen opgroeien en zeker kinderen in de jeugdzorg. Zij zijn uit een bedreigende omgeving gehaald om veiliger op te groeien. Een deel is zelfs vanwege misbruik uit huis gehaald. Dit zijn extra kwetsbare kinderen.”

Weten we nu alleen hoeveel kinderen er in 2010 zijn misbruikt? Hoe zit het dan met alle kinderen die vanwege misbruik uithuis zijn geplaatst? Alink: “Het klopt dat we niet weten hoeveel kinderen er in een pleeggezin wonen die misbruik hebben meegemaakt in hun biologische gezin. We konden niet achterhalen hoeveel van de kinderen vanwege misbruik uithuis zijn geplaatst. Ook hebben we niet kunnen onderzoeken of kinderen die vanwege misbruik uit huis gehaald zijn, in een pleeggezin een grotere kans lopen om weer misbruikt te worden. Wel is uit het onderzoek gekomen dat meisjes vaker slachtoffer zijn dan jongens en dat culturele achtergrond geen rol speelt.”

Hoe nu verder?
Er is misschien een grens aan wat je kunt voorkomen aan misbruik, maar de verschillen in aantallen misbruikte kinderen tussen residentiële zorg, pleegzorg en algemene bevolking vragen toch om ingrijpen. Binnen de residentiële zorg wordt een aanzienlijk deel van het misbruik gepleegd door groepsgenoten (42 procent). Binnen pleeggezinnen werd gemeld dat 19 procent van het misbruik door pleegouders werd gepleegd en 10 procent door jongeren onder de 18 jaar binnen het pleeggezin.

Nadenken over hoe je misbruik zou kunnen voorkomen levert veel verschillende ideeën op. Zowel groepsleiders als pleegouders moeten beter toegerust worden. Groepsleiders hebben nog een beroepsopleiding gehad, pleegouders alleen een aantal trainingsavonden. Alink: “Beide groepen moeten beter voorbereid zijn voor ze met deze moeilijke groep kinderen aan het werk gaan. Verder kun je je afvragen of leefgroepen niet weer terug moeten naar ongemengde varianten met alleen meisjes of jongens voor deze kwetsbare kinderen. Als je op bepaalde momenten onvoldoende toezicht kunt houden, moet je de structuur aanpassen.”

Ook kun je doorgaan met het beleid om steeds meer uithuisgeplaatste kinderen in pleeggezinnen te plaatsen. Op dit moment wordt de helft van deze kinderen in een pleeggezin geplaatst. Alink: “Dit percentage zou omhoog moeten. Je kunt ook meer investeren om het kind met meer begeleiding langer in het gezin van oorsprong te houden. In residentiële settings zie je verder een grote discontinuïteit onder het personeel, dat is ook nadelig.” Kinderen en jongeren hebben iemand nodig die om hen geeft, bij wie ze zich veilig voelen, die hen confronteert met hun normen en waarden en die voor hen gaat, zoals Jo Hermanns, hoogleraar Opvoedkunde, een aantal jaren geleden al aangaf toen het over hechtingsproblemen ging. Dat zou preventief kunnen werken met betrekking tot misbruik.

Wat betreft preventie in pleeggezinnen zou je kunnen denken aan aanpassingen in de werving en selectie, de eigen geschiedenis van pleegouders nagaan wat betreft seksueel misbruik en het inschatten van de risico’s voor de al aanwezige (pleeg)kinderen. Misschien moeten al eerder misbruikte kinderen bij voorkeur alleen in een pleeggezin wonen. Alink: “Pleegouders zou je ook extra moeten ondersteunen bij het hanteren van geseksualiseerd gedrag van een kind of door het bieden van kortdurende time-out ondersteuning met bijvoorbeeld een weekendgezin.”

Licht verstandelijk beperkten zijn volgens de cijfers niet beter af in een pleeggezin, wat bij ‘gewone’ kinderen wel het geval is. Er is bij de studie in deze groep alleen van informantenrapportages gebruikgemaakt, omdat zelfrapportage niet mogelijk was. Het is niet duidelijk waarom licht verstandelijk beperkte kinderen en jongeren zo vaak misbruikt worden, ook in pleeggezinnen. Ook dat vraagt dringend om bezinning. Voor deze kinderen is het nog moeilijker om grenzen te trekken tussen wat goed is en wat niet kan, wat ze wel willen en wat niet en het dan ook nog kenbaar te maken. Vertraagde rijping en minder besef van normen en waarden op dit gebied zouden ook een rol kunnen spelen.

Het onderzoek levert geen antwoorden op de vraag hoe het verder moet, maar wel alarmerende cijfers die om dringende actie vragen. Het totale onderzoek van de commissie Samson levert een aantal aanbevelingen op. De onlangs in het leven geroepen ‘taskforce’ met deskundigen, gaat zich onder andere bezighouden met de aanbevelingen van de commissie Samson. Het is belangrijk om daarna nog eens te kijken of alle inspanningen om misbruik bij kinderen en jongeren te laten afnemen, resultaten hebben opgeleverd. Ondertussen moeten zowel residentiële voorzieningen als pleegzorgvoorzieningen vlot de hand in eigen boezem steken, want dit moet beter.

Tot slot geeft Alink aan dat pleegouders een moeilijke taak hebben, die alle respect verdient. Met minimale ondersteuning en minimale training gaan ze aan de slag om heel moeilijke kinderen een veilig thuis te bieden.

Lenneke Alink is universitair hoofddocent bij het Centrum voor Gezinsstudies, en medeoprichtster van het ‘Leiden Interdisciplinary Network Child abuse and neglect’ (LINC). Sinds maart 2012 is zij tevens bijzonder hoogleraar bij de VU in Amsterdam.

NOOT 1 Prevalentie seksueel misbruik in de Nederlandse jeugdzorg in 2008 – 2010, L. Alink e.a., 2012.
NOOT 2 Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (NPM-2005). M.H. van IJzendoorn e.a., Leiden, 2007.
NOOT 3 Elevated risk of child maltreatment in families with stepparents but not with adoptive parents. Child Maltreatment, 14, 369-375, M.H. van IJzendoorn e.a., 2009.


Tags: ,